Witte wieven wit hier bring ik oe ’t spit!

Het beroemdste verhaal over de witte wieven is de sage waarin een jonge man een spit in de wittewievenkuil werpt of in de wittewievenbelt steekt. (1) Dit verhaal is wijd verspreid in Twente en de Achterhoek. Het wordt o.a. verteld van de wittewievenkuil van Loo onder Markelo, de Lutterberg bij Raalte en die van Zwiep bij Lochem.  Het word vermeld van de Barga Belten bij Bathmen en van de belten van Borne en Buurse. (2) In de sagen komt telkens het gebruik van het spit voor en het merken van de achterdeur met een zogenoemd stiepelteken. Via merkwaardige omwegen kwam ik tot een oplossing van deze raadselachtige kenmerken van het witte wievengeloof.

wijf(fig: De witte wievenkuil bij Barchem)

Spit, speer en bijl

In de sagen wordt er meestal met een spit geworpen. Dit spit kan een braadspit zijn – zoals in vele versies van de sage –, een haarspit (waarmee de boeren vroeger hun zeis scherpten) of een werpspeer (een korte houten speer met een ijzeren punt eraan). Als vierde mogelijkheid kan het gaan om een drietandige spitvork.

Bij het werpen van het spit zegt de dappere jongeling een spreuk op: “witte wieven wit, hier breng ik oe het spit, zie moar dat je het gebroad erbie kriegt!” Dan zullen er (meestal drie) wieven uit hun belten verschijnen en de jongen – want meestal ging het om een jonge jongen – achternazitten. Deze vlucht zo hard hij kan en bereikt nog net zijn boerderij.

Witwief_achtervolgt_boerenzoon_400

De wieven gooien hem het spit (of soms een bijl) achterna en die blijft dan steken in de stiepel van de niendeur. Dat is de – uitneembare – paal tussen de achterdeuren. De sage zegt dat dit de oorsprong is van  het stiepelteken! Als ze zien dat hun prooi veilig binnen is roepen de wieven hem spijtig na: “als ik mijn schoenen eerder aan had geknoopt, dan was jij het gebraad geweest”.

Dit gegeven blijft niet beperkt tot de sagenwereld. Ook in het echt gingen jonge jongens vroeger naar plekken toe waar spinsters zaten. Dit waren meestal oude vrouwen die tezamen spinden. Zij hadden een “spit” gemaakt door twee houtjes over elkaar te binden en gooiden die naar binnen onder het uitroepen van de voorgaande spreuk. In tegenstelling tot de andere voorbeelden leek dit spit wèl op het stiepelteken. (3)

Stiepeltekenstiepel1

(fig 1 Donderbezem fig 2 en 3 Stiepeltekens in de vorm van een maalkruis)

De betekenis van het stiepelteken

Het stiepelteken valt te bewonderen op veel oude Twentse boerderijen. Het lijkt niet op een spit, maar heeft de vorm van een zandloper of een maalkruis (X). (4) Als maalteken is het teken van de stiepel ook het teken voor vermenigvuldiging, zowel in de wiskunde als in het huwelijk. Denk maar aan de bijbelse uitdrukking: Gaat heen en vermenigvuldigt u’! Het teken is te zien als de conjunctie van de mannelijke – naar boven gekeerde – en de vrouwelijke – naar beneden wijzende – driehoek. (5) Het verhaal van het geworpen spit blijkt nu juist te gebeuren in de nacht van zo’n conjunctie, namelijk tijdens een huwelijksfeest.

Het is een goed gebruik in Twente dat ongetrouwde jongelingen langs de buren gaan om ze uit te nodigen voor een bruiloft. Dit heet ‘brulfteneugen’.  Zo kan hij direct de nog beschikbare jonge dochters peilen die naar de bruiloft komen. Bij elk huis krijgt hij gewoontegetrouw een slokje aangeboden. Juist zo’n ‘brulfteneuger’ gaat de wieven uitdagen met het spit en zo voor de bruiloft uitnodigen. In de versie waar hij het spit in de heuvel steekt zou je dat kunnen interpreteren als een symbolische vereniging met de aardegodin. Met de drietandige spitvork wordt het een drievoudige vereniging met de drievoudige godin! De wieven komen vaak met zijn drieën uit de kuil of heuvel te voorschijn om de jongen achterna te jagen. (6) 

valkenburg-hendrik-1826-1896-n-twee-brulfteneugers-bij-het-ve-2680683 (1)

(fig: Twee brulfteneugers op pad)

Witte wieven en godinnen

Zo zijn de witte wieven te zien als godinnen. Zij verschijnen meermalen gedrieën. In connectie met de dodenheuvel en het spinnewiel maakt het hun tot de godinnen van het lot, van leven en dood. Zij – en in hun plaats, de priesteressen – deden in de heidense tijd de inwijdingen van de jonge mannen. zo kan je het verhaal van de jonge boer die het spit in de heuvel steekt zien als de symbolische versie van een oud heidens gebruik ter inwijding van die jongeling.

Tegelijkertijd is het een verzoening met de Godin om zo te komen tot grotere vruchtbaarheid van het veld. Die verzoening heeft te maken met het omspitten van de aarde. Je moet je voorstellen dat vroeger het spitten in de aarde met de spitvork een zeer belangrijke klus was, die vooral gedaan werd door de jonge boerenknullen met sterke ruggen. Dit werk was echter ook een schending van de heilige moeder aarde. Deze werd open gestoken en zij kon daar wel eens vertoornd om wezen. Een van de meest voorkomende vormen van vergelding door de godin was het spit! Een stekende pijn in de onderrug.

guinevere

Elvenschot en heksenschot

Dit spit werd in de folklore veroorzaakt door het “heksen- of elfenschot”. Bij de Schotten heet dit ‘elfshot’ en word veroorzaakt door elfen die in bepaalde met meidoornstruiken begroeide grafheuvels wonen. Wie deze struik probeert te kappen word gestraft. De wezens schieten met een speer of pijl in je onderrug, waarbij ze een helse pijn veroorzaken. Hierbij is het interessant te weten dat de meidoorn gewijd is aan de witte godin. Met name Guinevere (Gwenhwyfar) – wat wit wief betekend – maakte kransen van meidoorn op de avond van de eerste mei oftewel Beltaine het feest van het huwelijk en het samengaan van God en Godin. (7)

Hexenschuss_von_Johann_Zainer

In Duitsland kende men hetzelfde als ‘Hexenschuss’. Beide keren is het te zien als een straf voor het niet respectvol benaderen van de natuur. Deze straf was ook logisch; wie wild en onachtzaam vanuit een verkeerde houding het land bewerkt of bomen kapt zal al heel snel last van zijn rug krijgen! Dit kon een ramp zijn voor het boerenbedrijf; een sterke werker minder was een groot verlies. De etymologie geeft als uitleg voor het woord spit (als pijn in de onderrug) dat dit gaat om een spit dat door heksen of elfen in de rug van het slachtoffer is geschoten en verwijzen daarbij naar het beruchte Hexenschuss en elfshot! (8)

‘Charm against a sudden stitch’

In een Angelsaksische toverspreuk tegen een plotselinge pijnscheut (vòòr 1050 AD) is één van de oudste bewijzen te vinden voor het volksgeloof in heksenschot en elfenschot:

Loud were they, lo ! loud, when they rode over the barrow,
	Resolute were they when they rode over the land.
	Fend thyself now, that thou mayest survive this violence !
	Out, little spear, if herein thou be !
5	I stood under linden, beneath a light shield,
	Where the mighty women made ready their strength
	And sent whizzling spears;
	I will send them back another
	Flying arrow in their faces.

Het is frappant om te zien hoe deze ook doet denken aan het witte wievenverhaal. In de spreuk  rijden machtige vrouwen luidruchtig over de grafheuvel. Zij werpen hun kleine speer naar het slachtoffer die daarop een plotselinge pijnscheut krijgt. Hij wenst vervolgens dat hij een pijl of speer terug kan werpen, gemaakt door machtige smeden, zodat hij de pijn naar zijn veroorzakers terug kan zenden. (9) Je zou hier een vroeg bewijs in kunnen zien van het wittewievenritueel van het werpen van het spit..

Het merkteken van het wief

Het werpen van het spit naar de witte wieven lijkt zo een test van mannelijkheid te zijn en daarmee een inwijdingsdaad. Voor zo’n inwijding gaat hij naar de meest heilige plek toe; de grafheuvel of kuil die gewijd is aan de godin van de aarde. Hier is haar kracht het sterkst! Daar aangekomen stak hij zijn spit in de heuvel of wierp het in de kuil en door de spreuk op te zeggen bood hij zichzelf aan als zoenoffer. Soms had hij een vervangend offer bij zich in de vorm van een kat – de balkenhaas – die ze dan op konden eten. Vaker zette hij het direct op een hollen, achterna gezeten door de wieven. Deze lieten nu hun duistere kant zien en als wrekende furieën zaten ze hem achterna!

1274784635074_f

Kon hij op tijd zijn huis bereiken dan werd hij niet aan het spit geregen, of in zijn rug door het spit getroffen, maar werd zijn huis geraakt en daarmee gemerkt. Dit was geen straf, maar een zegening. Wiens huis was gemerkt door dit “stiepelteken”, die was beschermd tegen allerlei kwade invloeden. Hij was – als het ware – goedgekeurd om zelf een  huisgezin te stichten. Zo werd de dapperheid van de jongeling beloond door de witte wieven, die zich hier laten zien als priesteressen of zelfs godinnen.

Als laatste is het opmerkelijk te noemen dat het stiepelteken juist aangebracht werd op de steunpaal tussen de achterdeuren. Deze plaatsing wordt echter duidelijk als je het huis ziet als symbool voor het (energetische) lichaam van de man. Dan staat deze plek gelijk aan de onderrug, de plek die getroffen word door het spit.

Abe van der Veen

http://www.abedeverteller.nl

Deeldeuren met stiepelteken

1) De geromantiseerde versie is van Josef Cohen uit 1918. http://www.verhalenbank.nl/extra.php?info=tekst&idnummer=COHEN034&volksverhaal_type=SINSAG%200305&atu_type=

Een erg grappige versie hiervan is: De legende van de witte wieven van Gery Groot Zwaaftink. Gery is een erg goeie verhalenverteller en zijn mooi geïllustreerde boekje over de wieven is nog steeds te koop. http://www.gerygrootzwaaftink.nl/

Zie ook deze filmversie van het verhaal: http://www.willemwever.nl/vraag_antwoord/de-maatschappij/wat-er-waar-van-de-witte-wieven

Ook van Ellert en Brammert wordt verteld dat zij een bijl nawerpen waardoor het maalteken in de stiepel van de niendeur ontstaat. Dit lijkt mij echter een verwarring van latere tijden. http://nl.wikipedia.org/wiki/Ellert_en_Brammert

2) Sinninghe – Overijssels sagenboek en Gelders sagenboek

3) Sinninghe – Overijssels sagenboek p. 6-9

4) Sommige schrijvers zien het als teken van Donar. Zijn teken wordt ook wel een donderbezem genoemd. Het houdt de bliksem en ook de boze geesten op afstand. Sommigen zeggen zelfs dat het de witte wieven tegenhoud! Toch is de donderbezem niet exact hetzelfde als een  stiepelteken, de verticale streep ontbreekt.

donderbezem2

Tjaard de haan – Onze volkskunst p. 149

Het stiepelteken zou ook bekend staan als biel’nsmid (bijlensmid?).

Stiepeltekens http://www.bovenlichten.net/id298.html

Sinninghe – Overijssels Sagenboek

5) Walker – Dictionary of symbols and sacred objects p. 35

6) De trident als duivelsteken duidt hier ook op. De duivel is te zien als de opvolger van de gehoornde god en minnaar van de drievoudige Godin.. Walker – dictionary of symbols and sacred objects p. 109

7) Voor brulfteneugen zie Overijssels sagenboek p. 7 voor de sage en bv. http://nds-nl.wikipedia.org/wiki/Goastok voor de rite.

n) http://en.wikipedia.org/wiki/Elf

Briggs – a dictionary of fairies p.118

Over Guinevere als wit wief schreef ik in mijn vorige artikel over witte wieven.

8) http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/spit2

Etymologisch woordenboek – J. de Vries: ‘Men schreef de pijnaanval oudtijds toe aan magische inwerking van buiten af en dacht daarbij aan dunne spitse staafjes, die door een tovenaar in het lichaam geschoten werden. Andere voorbeelden daarvan zijn woorden als limb. heksenscheut, nhd. hexenschuss, oe.hægtessan gescot en verder noorw. trollskot, finnskot, alvskot, gandnål. Er schijnt geen reden om aan deze verklaring te twijfelen en zijn toevlucht te nemen tot de bleke omschrijving ‘plotselinge pijn in de rug alsof men met een spit gestoken werd’.

Natuurlijk kon de toorn zich ook anders uiten. Bijvoorbeeld in ziekte onder je vee, een slechte oogst of een uitslaande brand.

9) http://www.heorot.dk/stitch-i-txt.html

http://www.heorot.dk/suddenstitch.html

Charm against a Sudden Stitch in the Side

Feverfew and the red nettle which grows through the house and plantain; boil in butter —

	Loud were they, lo ! loud, when they rode over the barrow,
	Resolute were they when they rode over the land.
	Fend thyself now, that thou mayest survive this violence !
	Out, little spear, if herein thou be !
5	I stood under linden, beneath a light shield,
	Where the mighty women made ready their strength
	And sent whizzling spears;
	I will send them back another
	Flying arrow in their faces.
10	Out, little spear, if herein it be !
	The smith sat, forged his little knife,
	Sore smitten with iron.
	Out, little spear, if herein thou be !
	Six smiths sat, wrought war-spears.
15	Out, spear, not in, spear !
	If herein be aught of iron,
	Work of witch, it shall melt.
	If thou wert shot in the skin, or if thou wert shot in the flesh,
	Or if thou wert shot in the blood, or if thou wert shot in the bone,
20	Or if thou wert shot in the limb, thy life shall never be harmed.
	If it were shot of gods, or if it were shot of elves,
	Or if it were shot of witch, now I will help thee.
	This to relieve thee from shot of gods, this to relieve thee from shot of 		elves,
	This to relieve thee from shot of witch; I will help thee.
25	Flee to the mountain-head,
	Be thou whole; May the Lord help thee.
Take then the knife; plunge it into the liquid.
Advertenties

Witte wieven, nevelslierten en grafheuvels

Wieven als nevelslierten

Wie tegenwoordig vraagt naar de witte wieven zal meestal te horen krijgen dat dit nevelslierten zijn. Deze naturalistische verklaring van een volksgeloof gaat echter dieper dan je denkt. Als je je ogen probeert te focussen op nevel die zweeft over de velden dan zal je merken dat je dat niet lukt. Het heeft geen heldere contouren en verandert continu. Zo kan je oog zich niet scherpstellen en je brein geen objecten waarnemen. Als je op die manier langdurig zal staren naar de nevel wordt het analytische objectieve brein uitgeschakeld en zal het gevoel en de intuïtie de waarneming overnemen! Dit maakt het waarnemen van het bovennatuurlijke zoals elfen en geesten mogelijk. De priesteressen van Avallon zagen voorbij de nevel hun wondereiland. In Drenthe en Twente zag men dan de witte wieven! (1)

Älvalek

Wieven als spookgestaltes

Witte wieven kom je vooral tegen in Drenthe, Twente en de Achterhoek. Witte juffers en witte vrouwen vindt je ook in andere delen van het land en er zijn ‘white ladies’ in Engeland gesignaleerd. Toch gaat het in deze gevallen meestal om vrouwelijke spookgedaanten gehuld in hun witte doodssluier.  Bij de witte wieven van het Saksische gedeelte van Nederland is er meer aan de hand. Het wief lijkt hier een vreemd amalgaam van heks, elf en spook. (2)

dameblanche

Witte wieven als elven

De benaming en de folklore rond de witte wieven is in verband te brengen met de elfen. Als naam vinden we het terug bij Guinnevere, de vrouw van koning Arthur. Haar oorspronkelijke Welshe naam is Gwenhwyfar. Gwen is wit en hwyf is wijf! Finnabair, de dochter van Mebh – die vaak als koningin der elfen wordt gezien – betekend hetzelfde, witte vrouw. De koning der elfen is Gwyn ap Nudd. Waarbij Gwyn weer wit betekent. Alf en alp zijn beide benamingen voor de elfen en betekenen beide wit. Ook als je de folklore rondom elfen en wieven vergelijkt hebben ze een sterke gelijkenis. Zij wonen net als de elfen van Ierland vaak in de grafheuvels. Zij doen werkzaamheden bij nacht op het boerenland in ruil voor een schotel pannenkoeken, net als de elfen dat doen voor een schotel melk en een stukje brood. Soms stelen ze een mensenkind en leggen er een wicht (wisselkind) voor in de plaats. (3) 

Ängsälvor_-_Nils_Blommér_1850

Wieven als heksen

Er zijn minstens zoveel gelijkenissen in de sagen te noemen tussen witte wieven en heksen: Vaak nemen de wieven stiekem ´s-nachts van het bier of van de melk en dat lukt ze ongemerkt doordat ze zelfs door de nauwste kiertjes nog binnen kunnen komen. Ze gingen langs de deuren en vroegen dan om een “balkenhaas”, dit was echter een kat, kregen ze dit heksendier mee, dan braadden ze het en aten het op. Zeker in latere gepopulariseerde versies werden de wieven telkens meer veranderd in lelijke, gemene heksen. (4)

1274784635074_fsagen_004

Witte wieven als wijze vrouwen; Becker, Kempius en Picardt

Als we teruggaan tot de oudste bronnen over de witte wieven ontstaat er een heel ander beeld: Balthasar Bekker in zijn ‘de betooverde wereld’ uit 1691 oppert de verklaring dat wit niet persé voor de kleur van hun gestalte of hun sluier hoeft te staan. Het wit kan ook ‘wittende’ wieven betekenen. Zoals in het Engelse ‘witty’ en het Nederlandse verwittigen. In dat geval zijn het wetende oftewel wijze vrouwen! (5)

Cornelius Kempius is een stuk negatiever over de wieven in zijn ‘de origine frisiae’ uit 1586. Hij vertelt hoe ze hun heuvels door duivelskunsten hebben opgeworpen en hoe ze reizigers ’s-nachts lastig vielen en herders en kraamvrouwen ontvoerden. Dit is een beschrijving die past binnen de strategie van de kerk om al het heidense te demoniseren.(6)

In het boek ‘antiqueteiten van Drenthe’ uit 1660 van de Drentse dominee Picardt staat een zeer interessante beschrijving van de Witte Wieven. Hierin lijken ze meer op oudtijdse priesteressen dan op geesten, heksen of elfen:

‘Onder de Berghjes, vindt men eenige die ingevallen zijn en voortijds van binnen hol geweest. In wat Landt dat men komt/ soo hoort men alle menschen spreken/ dat die voortijds geweest zijn woonplaetsen der witte Wijven, en de gedachtenisse eeniger harer wercken en seyten is noch soo versch in de memorie van veel grijse hoofden/ als wannerse noch onlangs gebeurt waren.
In wat plaetsen dat men dese wooningen der witte Wijven vindt/ sal men de Ingesetenen eendrachtigh van haer hooren verklaren: dat in sommige deser groote Bergen de witte Wijven hebben gewoont: dat ‘et omtrent dese Berghjes grouwelijck heeft gespoockt: dat men in den selven dickwijls een deerlijck gekrijt/ gekerm en weeklagen van mannen/ vrouwen en kinderen ghehoort heeft: datse by dagh en nacht dickwijls van barende en noodtlijdende vrouwen zijn gehaelt/ en souden die gheholpen hebben/ oock dan wanneer alles desperaat was: datse de superstitieuse menschen souden gewichelt/ haer geluck en ongeluck voor-geseyt hebben: datse gestoolen/ verlooren en vervreemde goederen wisten aan te wijsen waer die schuylden: dat die Landtsaten de selve met groote eerbiediheyt geeert hadden/ als wat Goddelijcks in haer erkennende; dat eenieg Ingesetenen/ by sommige gelegentheden/ in dese Berghjes geweest waren/ en hadden aldaer ongelooflijcke dingen gesien en ghehoort/ maer hadden/ op perijckel van haer leven/ niet een woort mogen spreken; datse snelder waren geweest als eenige creatuyren; dat zy altijd in ’t wit waren gkleedt geweest/ en wierden daerom niet witte Wijven, maer simpliciter de Witten genaemt.

Ets_1660_van_Gerrit_van_Goedesbergh_met_witte_wieven_in_grafheuvels

(De afbeelding is een ets uit het boek van Picardt uit 1660. Je ziet het witte wief als een heidens priesteres afgebeeld die woont in een holle heuvel, omringt door schedels en aanbeden door het primitieve volk.)

Picardt verteld dat de mensen naar de witte wieven gingen in hun grafheuvels om daar te vragen om genezing, om te helpen bij bevallingen, om de toekomst te voorspellen en om te helpen bij het zoeken naar verloren en verborgen schatten. Dit zijn allemaal typische werkzaamheden voor heidense priesteressen of toveressen.

Ook in de zeventiende eeuw – toen Picardt schreef – werden deze taken nog uitgevoerd. Echter deze wichelaars waren allang geen priesteressen meer. Meestal ging het om rond zwervende mannen. Een deel van het ongeletterde volk hechtte nog wel waarde aan hun rituelen en voorspellingen. Maar door de elite werden zij vanwege hun praktijken met de nek aangekeken en naar de rechtbank gebracht als oplichters.(7)

Witte wieven en de Germaanse priesteres

De beschrijving van Picardt van het witte wief lijkt sterk op die van de völva, de priesteres van de oude Germanen. Beiden zijn in het wit gekleed, wonen in of bij de grafheuvels, doen aan spinnen met een spintol en geven voorspellingen. Beiden worden beschuldigd van kattenoffers en van het seksueel verleiden van vreemde mannen. Het wief vraagt om het offer van een kat en eet deze op als een zogenaamde ‘balkenhaze’. De völva draagt handschoenen gemaakt van kattenhuid.

Van de wieven zegt de folklorist Teenstra dat ze mannen – die nog laat op pad zijn – als regte succuben aanranden om hen tot de bijslaap aan te sporen, fluisterende psst, psst, st.. st.. hoor reis. Degene die het roosje wil plukken zal – in een overmatig genot – al stuiptrekkend sterven! Ook de völva stond bekend om haar verleidingskunst en om de seksuele riten die ze bedreef om vruchtbaarheid op te wekken. (8) 

7100

(Illustratie van de witte juffer van Hoog Soeren in haar holle beuk)

Het witte wief als godin

Picardt zegt dat de witte wieven met grote eerbied werden behandeld alsof ze iets goddelijks in hun erkenden. Als spinsters – al spinnende met hun spintollen – en als bewoonsters van de grafheuvels (en soms hunebedden en andere heilige plaatsen in de natuur) zijn ze goed te vergelijken met de heidense priesteressen die het noodlot voorspelden. Echter in de mythische vorm gaat het dan om de witte of drievoudige Godin van dood en leven, die zij vereerden en in wiens plaats zij optraden. Ook de witte wieven verschijnen meermaals gedrieën. De Godin van de heidenen is ook de koningin der elfen. Een goede naam voor haar zou Gwenhwyfar zijn, koningin en wit wief tegelijkertijd! (9)

Conclusie

Nu we al deze verschijningsvormen van het witte wief naast elkaar hebben gelegd zou je een keuze kunnen maken. Is zij een spook of nevelflard, heks of elf, godin of wijze vrouw? Wat mij betreft is zij het allemaal tegelijk! Zij is de geest van de wijze vrouw die in de gemeenschap onder andere de relatie met de godin onderhield en daarom soms als haar spreekbuis optrad. Ook na haar overlijden werd ze nog vereerd op de plaatsen waar ze haar waarzeggingen en riten deed; bij de grafheuvels of andere heilige plekken in het landschap. Later werd zij verduiveld en tot heks verklaard. Tegenwoordig kan je haar alleen nog in een ‘tranceachtige’ staat ervaren, bijvoorbeeld door te staren naar nevelslierten in de buurt van een grafheuvel. (10)

Het vervolg met uitleg van het beroemdste wievenverhaal ‘de legende van de witte wieven’, kan je hier lezen: http://wp.me/p26qJo-9k

Witte Wieven (1)

Abe van der Veen

http://www.abedeverteller.nl

1) Wief is natuurlijk een volkomen neutraal woord voor vrouw in het noorden en oosten des lands, of zelfs liefkozend bedoeld.. Zeker niet pejoratief.

2) Beroemd is bijvoorbeeld het verhaal van de witte juffer van Hoog Soeren op de Veluwe. Deze heeft wèl kenmerken van het witte wief. De evenzeer beroemde Kernhemse witte juffer is een duidelijk voorbeeld van een spook..

http://en.wikipedia.org/wiki/White_Lady_(ghost)

Er zijn ook ‘weisse Frauen’ in Duitsland en ‘dames blanches’ in Frankrijk. Zij zijn verleidelijke geestgestalten die hun lange haren kammen en mannen verleiden, maar veel meer heb ik niet over deze wezens kunnen vinden..

http://en.wikipedia.org/wiki/Dames_Blanches_(folklore)

http://en.wikipedia.org/wiki/Weisse_Frauen

3) De Alpen slaan dan ook op de witte besneeuwde pieken van dit bergmassief.

Sinninghe – Overijssels Sagenboek p. 6-16 (voor wicht als benaming voor wisselkind p. 14)/ Gelders sagenboek 4-7 / Drentsch sagenboek p. 12-16

T. de Haan – Volksverhalen uit Overijssel p.123-133

4) Overijssels Sagenboek p. 11 en 12

Lees ook es de zeer vermakelijke en mooi geïllustreerde moderne versie van de legende van de witte wieven van G. Groot Zwaaftink. Hierin worden ze beschreven als: ‘heksen met haar op de tanden, bloeddoorlopen ogen, lange vuurrode nagels en grote soepjurken.’ http://www.gerygrootzwaaftink.nl/boeken.html

5) Teenstra – Nederlandse volksverhalen p.92

6) Sinninghe – Drents sagenboek p.13 (op cit. de origine frisiae p. 341 http://books.google.be/books?hl=nl&id=mFhbAAAAQAAJ&q=wieven#v=onepage&q=wieven&f=false) Wie deze pagina voor mij zou kunnen vertalen ben ik dankbaar..

7) Antiquiteten, pp 69-70. In: Korte Beschryvinge van eenige vergetene en verborgene Antiquiteten der provincien en landen gelegen tusschen de Noord-Zee, de Yssel, Emse en Lippe. Waer by gevoeght zijn Annales Drenthiae / Johan Picardt (1660).

Gijswijt-Hofstra – Nederland betoverd o.a. p.72 en via index wichelarij of waarzeggerij vele andere voorbeelden..

8) http://nl.wikipedia.org/wiki/Volva_(mythologie)

M. Teenstra – Nederlandse volksverhalen (ca. 1850) p. 84

Het witte wief wordt in het Achterhoeks ook wel een vüleke of vuulke genoemd. Dit woord wordt nergens verklaard, maar kan te maken hebben met het spinrokken of de sluier van de völva. Gelders sagenboek p. 5

9) Deze schikgodinnen bepaalden door middel van het spinrokken het noodlot. Zij spinnen de levensdraad, vermengen het met andere draden en knippen hem uiteindelijk af.

Als Cuneware staat Guinevere voor vrouwelijke wijsheid. In de Welshe triaden is zij drievoudig en ws. een godin. Walker – myths and secrets p.357

In het Drents sagenboek p. 15 wordt verteld dat bij de hunebedden van Wapserveen oude vrouwtjes zitten te spinnen aan gouden spinnewielen. Een boerenknecht plaagde ze en riep: ‘Old wiefien platvoet, komstoe mar oet, as ’t kwaad doet’. De vrouwtjes zetten hem achterna en gooiden groene botten achter hem aan. Ze troffen zijn paard die sindsdien mank was. Als een van die botten hem geraakt had, was hij dood geweest!

In deze sage kan je een duidelijke associatie lezen met het witte wief en de dood- en noodslotsgodin, die bij sepulchrale plaatsen hoort zoals hunebedden en en grafheuvels..

10) In mijn manier van kijken naar de dingen ben ik meer van het insluiten dan het uitsluiten. meer van het en – en dan het of – of.

Verdere bronnen:

Veluwse sagen – vd Wall Perné

http://en.wikipedia.org/wiki/Witte_Wieven

http://web.archive.org/web/20050414010444/http://geocities.com/reginheim/wittewieven.html

Women who were concerned with fortunetelling and predicting the future were highly respected in Germanic society and many of them were chosen as priestesses, they were often refered to as “wise women” and after their death the people kept honouring them at their graves.

21-12-12 het einde der tijden, maar dan volgens het Ragnarök!

21-12-12 of de authenticiteit van de eindtijdervaring uitgebeeld in het Ragnarök.

Op 21 december van dit jaar eindigt de Mayakalender en daarmee eindigt de wereld zo wij die nu kennen. Eindelijk is het dan zover: de Apocalyps of – zoals de oude Noormannen het noemen – het Ragnarök nadert!

Mensen hebben al duizenden jaren het gevoel alsof ze zich in een eindtijd bevinden. Dat er elk moment een einde aan kan komen. En zij hebben gelijk! Ik wil in het onderstaande vertellen hoe het einde der tijden een individuele èn een kosmische ervaring is. Dit doe ik aan de hand van de beelden van het Noorse Ragnarök. Ragnarök is het lot van de machten of meer poëtisch de schemering der Goden. (1)

VIKING__Battle_for_Asgard-PS3Artwork1954Skarin_Key_Art_final_small

Het begin van het einde

Aan het einde der tijden zal de wolf de zon en de maan verslinden. Er zal een lange, koude en donkere winter plaatsvinden. Mensen zullen elkaar ongecontroleerd bevechten èn bevrijen. Het zal een tijd zijn van bijlen en zwaarden, van wind en wolven. De oude Grieken noemen het de tijd van ijzer. In deze periode is de god van licht en lente dood. Balder rust in de onderwereld. Maar ook zijn broer Hoder – god van herfst en donkerte – is er niet meer. Hoder werd door Loki misleid en doodde zijn broer Balder met een pijl van maretak. Kort daarop werd deze moord gewroken en werd Hoder gedood door Vali, een zoon van Odin. Zo staat het in de Edda en is het opgetekend uit de mond van de Vala, de zieneres.

Baldr_dead_by_Eckersberg

Dit is er aan de hand in de eindtijd als het noodlot zelfs de goden zal treffen. De wereldziel der mensen is onder een grote betovering. In de perceptie van de mensen kan de wereld slechts nog bestaan uit harde gevoelloze materie en kille, zielloze gedachten. Al het andere word gezien als achterlijke onzin. In feite is men bang voor de wereld achter de gedachten en achter de materie. Het door elfen verafschuwde ijzer overheerst deze wereld. Ijzer scheurt de aarde met de ploeg en ijzer scheurt het vlees met bijl en zwaard. Op een meer symbolische wijze staat het zwaard van ijzer net als het element lucht voor analyse. Het ontleden, determineren en definiëren van de wereld. Het wetenschappelijke wereldbeeld dat de wereld opdeelt in partjes en meent zo tot de essentie te kunnen komen. Zij zal slechts het uiterlijk vinden. Het innerlijk, de ziel vluchtte weg tijdens het ontleden.

Ragnarok-norse-mythology-23582586-700-881

Fimbulvetr; de lange winter

Daarna komt de tijd van de Fimbulvetr, zon en maan worden door een wolf opgegeten, een drie jaar durende winter volgt. De natuur en de mensen zullen koud en hard lijken. Het is een materiële wereld, gericht op het verkrijgen van zoveel mogelijk bezit en macht. De mensen worden in hun scholen getraind om de wereld als materie te zien en dat deze te beheersen en te gebruiken valt met het verstand. De grote universiteiten zijn tempels van zwarte magie. De natuur word van buitenaf beheerst en gemanipuleerd.

Balder en Höd, de koningen van het wassende en het afgaande jaar zitten in de onderwereld. We kunnen alleen nog op een onbewust niveau op een volledige manier genieten van activiteit en passiviteit. Een ware lente en ook een ware herfst kennen we niet meer, want we kunnen deze alleen ervaren vanuit afstand. Tussen mij en de directe ervaring zit de angst en de betovering. Om toch nog iets van waar gevoel door te laten sijpelen hebben we telkens extremere stimulanza nodig. Die zoeken we in seks en geweld. Het lijkt alsof we niet anders kunnen want seks is het surrogaat voor liefde en geweld is het surrogaat voor ware daadkracht. We zitten in een wereld waarin de polariteit steeds extremer vormen aan zal nemen. Deze worden verbeeld door Fenrir en Hel, de wolf en de heks uit de onderwereld. Zij zijn de grote monsters en uitdagingen van deze tijd. Zij staan voor je minderwaardig of juist superieur voelen aan de rest, zij staan voor depressiviteit of juist manisch gedrag. Zij staan voor de uit balans geraakte krachten van positief en negatief, van mannelijk en vrouwelijk. Fenrir en Hel zijn opgesloten door de Goden. Wij kunnen ze slechts gefilterd waarnemen. Tussen de mens en deze krachten staat het derde monster, de draak of slang Jormungand. Zij staat voor onze afstand tot de directe ervaring die ontstaan is door angst en schuldgevoel en die nu opgevuld wordt door de gedachtenwereld. Wij kunnen deze krachten echter niet eeuwig opgesloten houden. Er worden telkens grotere aanslagen gepleegd op ons individuele bewustzijn en uiteindelijk breekt er iets in ons…

the_children_of_loki_by_willy_pogany

De monsters breken los; Fenrir, Loki en Midgaardslang

Fenrir de wolf breekt los uit zijn ketens en zijn ongebreidelde vernielingslust vernietigt de wereld in een zeer kort tempo. Hij staat voor tomeloze ongebalanceerde activiteit. De mens die het druk, druk, druk heeft en zo eeuwig bezig blijft in zijn mallemolen om maar vooral niet zijn angst en verdriet te hoeven voelen. Fenrir is de mens die zich superieur voelt aan anderen. Hij is opgeblazen, hij schraapt met zijn onderkaak de grond en met zijn bovenkaak komt hij tot aan de hemel en hij zou zijn muil nog verder opensperren als daar ruimte voor was. Als hij zijn controle verliest wordt hij manisch.

fenrirtumblr_m3d5uo73Pp1qbirn1o1_500

Bijna tegelijkertijd verbreekt Loki zijn ketens. Hij zal het dodenleger van Hel aanvoeren. Sinds de mare als zwakke plek is gevonden in de verdediging van Balder, waren de demonen rond met verdubbelde lust om mensen te verleiden tot allerlei manieren om zichzelf te verliezen in drank, drugs, seks, gokken, roken, kopen, TV, computer etc. etc. Zo leveren wij onze energie in bij deze vampiristische wezens. Zij staan onder aanvoering van Loki, die mensen hun persoonlijke bewustzijn gaf. Dit is een zegen en een vloek want zo ontstond de afstand tot de ware wereld en daarmee werd de godin tot een hel gemaakt. Sindsdien is hij voornamelijk bezig met mensen verleiden tot allerlei zwaktes om hun energielekken te vergroten. Hel, Loki en hun gebroed staan voor de passieve kant van de mens. Zij zijn de doden die tot demonen zijn geworden. De mens die zich wil verliezen in allerlei genietingen geeft zich over aan deze wezens. Hij of zij is bang voor de ware passie, de ware vibratie van levend zijn, die je als bewust individu meemaakt. Hij wil het zich laten overkomen en in zijn dronken bui gek, geil of gewelddadig zijn om daarna te kunnen zeggen dat hij er niets aan kon doen. Hij voelt zich minderwaardig en onvolkomen en dat is hij ook, want zijn energetische lichaam zit vol gaten. De demonen kunnen zich daar aan hechten, zodra de batterij zich – na de uitspatting – weer heeft kunnen opladen. Nog erger, onbewust is hij zelf ook een demon. Als deze mens zijn controle verliest wordt hij depressief.

The-Binding-of-Loki-norse-mythology-18614677-598-860  (Afbeelding van Loki)

Rondom de mensenwereld, de Midgaard, bevindt zich de Midgaardslang. Zij heet Jormungand en dat betekend machtige schim. Overal waar keuzes gemaakt moeten worden, dus eigenlijk altijd komt zij te voorschijn om je over verleden en toekomst te doen nadenken, je keuze uit te stellen en je zo uit de directe ervaring te halen. Deze draak of slang is je angst. Zij herinnert je aan het ergste wat je ooit is overkomen en projecteert dat in de toekomst. Angst doet je verstijven, wie angstig is, doet alsof hij dood is. Wie niet voorbij de angst komt, zal een leven leiden als een zombie. Dit komt omdat je niet bij je ware levensenergie kunt komen. Deze goudschat wordt door die draak bewaakt als een ware vrek. De muur die tegen de angst werd opgebouwd is de gedachtenwereld. Odin krijstte toen hij die wereld ontdekte, toen hij de runen greep uit de bron. Wie de gedachten niet beheerst en relativeert zoals Odin, zal er zelf door overheerst worden. Je zal je er achter proberen te verschuilen om de draak van de angst te ontlopen, maar die zal er altijd weer staan zodra je deze schuilplek verlaat. Toch is zij slechts een schim.

alextornberg_jormungandMidgardSerpent

De eindtijd als collectieve psychose

Fenrir en Loki waren vastgeketend in de onderwereld. Verdriet, boosheid en andere ware gevoelens, zij mochten niet gevoeld worden, zij mochten niet getoond worden. Maar als de pendule te ver uitzwaait dan is het evenwicht definitief verloren. Dan zal de klok kapot op de grond vallen. De tijdelijke en begrensde wereld geschapen door afstandelijke gedachten, blijkt een farce. Dan staat de mens naakt zonder pantser en masker voor zijn schepper om gewogen en beoordeelt te worden. Voor de meeste mensen komt het einde der tijden bij hun fysieke dood. Sommige mensen verliezen (delen van) hun ziel al tijdens hun leven door een psychose. (2) Soms na een manie, soms na een depressie. De scheidingswanden tussen deze en de andere wereld klappen dan in. De monsters en goden denderen je reële leven binnen en je kan er niets aan doen om dat te verhinderen. Dan wordt je gek en verkeert je ziel al in het elfenland of in de onderwereld. Sjamanen, tovenaars en heksen konden deze staat oproepen als tijdelijke ervaring. Van hen weten we van het bestaan van die Andere wereld en ook van het ‘eind der tijden’, waarin de chronologische tijd niet meer bestaat.

l

De helden van Ragnarok; Odin, Thor en Heimdall 

Wie bevechten deze monsters in de eindtijd? Thor zal je bijstaan in zijn tomeloze dadendrang. Hij richt zijn energie met zijn dubbele hamer die altijd bij hem terugkomt. Hij richt die hamer (soms bijl) namelijk recht op de kop van de draak Jormungand, waardoor de energie van zijn goudschat vrijkomt. De twijfelzucht en het uitstel worden te niet gedaan. Zo wordt de hamer van dadendrang en wilskracht met vernieuwde energie opgeladen! Toch is zijn kracht niet sterk genoeg om te overleven. Na negen stappen achterwaarts valt hij om nooit meer op te staan. Wel ontrolt hij zo de negen windingen van de gifslang en bevrijdt hij de door de draak gevangen energie.

Treated_NKS_fenrirragnarok-par4jn

Odin vecht tegen de wolf. De manische mens, die huilt als een wolf naar de maan. Hij is maanziek, ‘lunatic’. Wie is er niet bang voor deze woeste waanzin, dat beest in zichzelf dat nog geketend is, maar voor hoelang? Dit wezen luistert niet naar rede, hij luistert naar een waardige tegenstander om zijn kracht mee te meten. Dat ben jij en jij bent Odin of zijn zoon Vidar. Odin kent de geheime kracht en kennis van de runen. Deze zet hij in om nuchter en gegrond te blijven terwijl de orkaan om hem heen woedt. Zijn huis en zijn zetel zijn van steen en laten zich niet makkelijk omver blazen. Toch wordt hij opgeslokt door de wolf. De stevige schoenen van zijn zoon staan voor zijn verbinding met de Godin. Hij blijft wèl stevig staan, met zijn schoen op de onderkaak van de wolf. De wolf wordt gedood.

Heimdal het alerte ik-bewustzijn zal strijden tegen Loki het verraderlijke, verleidelijke ego-bewustzijn. In feite twee kanten van dezelfde medaille, maar de één naar binnen en de ander naar buiten gericht. Doordat ze met elkaar strijden heffen ze elkaar op en kan er een nieuw bewustzijn ontstaan. Dit zal bewuste éénheid zijn in plaats van bewuste gescheidenheid.

einherjarMidgaardslang Johann_Heinrich_Füssli_011

De wereld vergaat door vuur en water

Ooit is de wereld ontstaan uit vuur uit Muspellsheim en ijs uit Niflheim. De krachten uit deze wereld zullen onze bestaande wereld ook weer vernietigen. Freyer wordt verslagen door Surt die vervolgens de wereld in lichterlaaie zal zetten. Direct daarna zal de wereld onder water worden gezet. Alle vastgezette energie in het lichaam mag branden. Het komt zeer snel vrij. Freyer kon dit proces niet vertragen omdat hij zijn zwaard kwijt is geraakt bij het winnen van de lentebruid Gerd. Het verteerd alle concepten en vastgekoekte ideeën over hoe de wereld er uit zou moeten zien. Niets blijft over. Je bent een uitgehold vat. Vervolgens kun je gaan treuren over het verlies van al die vaste waarden. Je kan gaan rouwen over de ruïnes van je vorige bestaan. Deze overstroming van tranen zuivert je systeem en maakt je rijp voor een nieuw begin. Alles waar je je aan had gehecht bleek slechts schijn, demonisch bedrog, bedoelt om energie van je af te snoepen. Niets kon compleet zuiver zijn, want je bril, je perceptie zelf was niet zuiver. Je was onder de betovering van Loki en zijn addergebroed de machtige schim Jormungand. Vanaf  dat moment was er een toestand van onevenwicht, instabiliteit, waarin de slinger telkens verder uitsloeg tot het moment van catharsis. En deze komt aan het eind der tijden. Het einde van de wereld is het einde van de matrix, het einde van de schijnwereld.

800px-Kampf_der_untergehenden_Götter_by_F._W._Heine

‘Brave new world’

En het einde is een nieuw begin. Nieuw schoon gespoeld land verschijnt boven het water. Balder en Höd keren terug uit de onderwereld. De ware lente en de ware herfst kunnen weer gevierd worden. De zonen van Thor en Odin, Vidar en Vali, Modi en Magni, zij weerspiegelen de kracht van hun vaders in een zuiverder vorm. En zij vinden gouden schaakborden in het veld. Een detail in de Edda onopgemerkt door velen, gouden schaakborden met speelstukken er op. Deze nieuwe goden hebben de soevereiniteit van de Godin, de heerschappij over het land, gekregen in de vorm van het schaakbord! De stukken kunnen opnieuw gerangschikt worden op het speelveld. En de kiem van een nieuwe cyclus is al aanwezig, want aan het eind van de Volüspa komt de draak opnieuw aangevlogen en tussen haar vlerken draagt zij de lijken…

Abe de Verteller

http://www.abedeverteller.nl

800px-After_Ragnarök_by_Doepler (De nieuwe wereld na het Ragnarök)

1) Dit is een uitgewerkte versie van een artikel dat eerder geplaatst is in het tijdschrift Religie & mystiek in 2006. Dit tijdschrift beleefde zijn eigen Ragnarock toen het gelijknamige festival in dat jaar flopte..

Het Ragnarök wordt beschreven in de Proza-Edda van Snorri Sturluson en in het gedicht de Volüspa in de poëtische Edda, beiden uit het Ijsland van de dertiende eeuw. Ijsland is dan al twee eeuwen christelijk, maar vooral in de dichtkunst der Skalden was de heidense overlevering nog niet vergeten..

Snorri Sturluson – Edda (vert. Marcel Otten)  p. 75-80 Eind van de Gylfaginning

Edda (vert. M. Otten) p. 8-12 Volüspa vs 35-62

2) Ik weet niet hoe een psychose is, ik heb ook geen psychologie gestudeerd. Toch past voor mij deze beeldentaal om iets van mijn ervaringen die ik heb gehad met mensen in mijn nabije omgeving – die ik in een psychotische toestand zag geraken – te duiden.

Hobbits, Goblins… en Hobgoblins!

De eerste zin van het boek de Hobbit is: ‘In a hole in the ground there lived a hobbit’. Hobbit zou komen van ‘holbytla’ wat holbewoner betekend. Dat is wat J.R.R. Tolkien er van zegt en hij kan het weten! Hij heeft deze wezens namelijk bedacht. Voordat in 1937 ‘The hobbit’ van Tolkien werd gepubliceerd bestonden deze wezens nog niet of nauwelijks. (1) Toch niets ontstaat uit niets. Ergens moeten er inspiratiebronnen zijn geweest voor Tolkien. Het is bekend dat Tolkien zijn inspiratie voornamelijk haalde uit de Scandinavische en Keltische mythologie. Dit keer echter zullen we het antwoord naar de herkomst van de hobbit moeten zoeken in de folklore van zijn eigen geliefde Engeland.

the-hobbit_2409864k

De elven

De hobbits bewonen holen in heuvels. Hierin lijken ze op een ander volk dat in heuvels woont: de Aes Sidhe, het Ierse elfenvolk van de holle heuvelen. Met die holle heuvelen worden vooral prehistorische grafheuvels bedoeld. De ‘sidhe’ hebben daarmee een sterke connectie met de doden. De elfen als een hoog geboren bovennatuurlijk ras hebben een belangrijke rol in de verhalen van Tolkien, maar de Hobbits worden duidelijk niet gezien als elfen. De elfen zijn voornamer en meer etherisch als de hobbits. Hobbits zijn eenvoudig en aards, zij hebben haar op hun voeten!

Hobbits zijn – in de regel – ook veel huiselijker. Zij willen helemaal niet groots en meeslepend leven zoals de elfen. Ze leven het liefst rondom huis en haard. Bilbo en Frodo worden slechts met list en uit nood uit hun comfortabele omstandigheden gehaald. ‘Bil’ betekent treuzel in het IJslands. (2) Ook Bil-bo treuzelt het liefst en is in het begin van het verhaal voornamelijk aan het klagen dat hij graag weer thuis bij de haard had gezeten! Hij wordt door de dwergen zelfs de ‘bagage’ genoemd!

486px-Kobold_artlibre_jnl

Hobgoblin

Met die haard hebben we wel direct de belangrijkste focus te pakken. Hob in hobbit betekent namelijk haard! Ook het elfenwezen van de haard heet hob of anders hobgoblin. Met zijn grote kennis van folklore en mythologie is de kans erg groot dat Tolkien wel bekend was met de ‘hob’. Hij zal gediend hebben als belangrijkste voorbeeld uit de folklore waaruit de hobbit kon ontstaan.

Van één van deze ‘hobs’ wordt verteld dat deze – net als de hobbit Bilbo – alleen in een hol woonde. Deze ‘Hobhole Hob’ leefde dichtbij de baai van Runswick in noord-Engeland. Mensen brachten hun kinderen naar deze grot en fluisterden dan een rijmpje om ze door de hob te laten genezen van kinkhoest: ‘Hobhole Hob! Hobhole Hob!  Ma bairns gotten the kink cough take it off, take it off’. (3)

145593000423197329_DeaufQLo_b

De meeste hobs en hobgoblins – en ook de hobbits van Tolkien – waren huiselijk. Het liefst met de harige voeten warm bij het haardvuur. Hij is voornamelijk bezig met huiselijke klusjes. Er is echter één groot verschil tussen hobbit en hobgoblin. De laatste moet zijn domicilie delen met een lastige huisgenoot; de mens. Hij is net als de Schotse brownie en de Nederlandse huiskabouter (en mogelijk de Romeinse Lar) een huisgeest. Hij beschermt en bewaakt het huis en de familie die daarin woont. Verder doet hij kleine klusjes rondom het huis. Meestal doet hij dat naakt of in lompen gekleed. Geef je het wezen kleren dan maakt hij zich zo snel mogelijk uit de voeten. Mogelijk is hij een soort van elf, mogelijk een voorvadergeest of anders beide. (4)

GOBLIN

Goblin en Orc

Het tweede deel van die omineuze naam hobgoblin heb ik nog niet behandeld: de goblin. In de werken van Tolkien is de goblin (in LOTR worden ze meestal orc genoemd) de ultieme kwaaddoener. Hij is een soort van demon, slechts gericht op het aanrichten van kwaad en altijd genietend van pijn en kwellingen. In de Silmarillion wordt verteld hoe de eerste duistere heer Melkor door marteling en zwarte kunst gevangen genomen elfen transformeerde in goblins of orcs. Ook in de folklore zijn de demonen gelieerd aan de elfen. De elfen worden gezien als de neutrale engelen die in de strijd tussen God en satan geen kant kozen. De engelen die de kant van Lucifer kozen werden de duivels. Beide groepen werden uit de hemel gegooid, maar de elfen vielen op aarde en de duivels vielen dieper. Zij belanden in de onderwereld oftewel de hel.

hobgoblin wicked

In de folklore zijn goblins plaaggeesten, niet zo duivels als de goblins en orcs van Tolkien, maar zeker geen lieverdjes. Goblin komt waarschijnlijk van het Welshe ‘coblynau’. Een soort van ‘knocker’ of mijngeest. (5) Dit past goed bij de kwaadaardige goblins van Tolkien die ook ondergronds leven en net als de dwergen mijnwerkers zijn.

Het woord Orc haalde Tolkien mogelijk uit het 10e-eeuwse Angelsaksische epos Beowulf (waar hij zelf een goeie vertaling van had gemaakt). Daar worden ze genoemd als één van de monsters uit het geslacht van Kaïn, naast elfen en reuzen. Het betekent kwade geest of zelfs lijk-duivel. Hiermee wordt waarschijnlijk een wandelende dode bedoeld. Het kan ook dat hij dacht aan de Romeinse god van de onderwereld Orcus. Orc is echter ook het Ierse woord voor varken.. (6)

Goblin

Gollum en Frodo

De hobgoblins uit de folklore daarentegen hebben een goede aard en zijn de mensen goedgezind. Met die nauwe woordverwantschap is het nauwelijks verwonderbaar dat een soort van hobbit – grotendeels – overstapt naar de donkere kant: Sméagol / Gollum! De schizofrenie van Gollum zit al gebakken in het woord hob-goblin, de voorloper van de hobbit èn de goblins in de avonturen van Tolkien. Eén volk gaat linksaf achter de duistere heer aan, één ander volk gaat rechtsaf en wordt helper van elf en mens. Eén wezen staat in het midden tussen goed en kwaad en dat is de Ringdrager. In het boek ‘de Hobbit’ is dat de schizofrene Gollum, de hobbit-goblin. Ook Frodo moet zijn strijd voeren tussen goed en kwaad als ringdrager zijnde. Dat hij de goede kant zal kiezen is al te lezen in het eerste deel van zijn naam Fro. Fro is een andere naam voor de Viking-god Freyr en is afkomstig van het woord Frodr wat wijs en vruchtbaar betekend. Freyer is de god van vrede en vruchtbaarheid. (7) Ook Frodo zal die uiteindelijk brengen.

Daar en weer terug

Hob is ook etymologisch verwant aan ‘hub’ wat naaf of centrum betekend. Als je thuis bent, ben je in je centrum. Dit is de stille plek waar alles omheen wervelt. Bilbo gaat  ‘there and back again’. Dit is de ondertitel of alternatieve titel van het boek. Blijkbaar vond Tolkien dit thema belangrijk. Hij komt van zijn centrum en huiselijke haard en gaat naar ‘daar’, naar de periferie, de rand van de wereld waar op oude landkaarten draken getekend staan. Hij verslaat zijn grootste angst (in dit geval niet door het zelf te doden) en komt terug met een schat, een ring. Het duiden van die ring hoort thuis in een ander artikel.

Ets_1660_van_Gerrit_van_Goedesbergh_met_witte_wieven_in_grafheuvels

Het is erg frappant om te zien dat in Beowulf de draak – die de held moet verslaan – in een grafheuvel woont. Daar is zijn schat opgestapeld. (8) Ook de Groene ridder in het verhaal van ‘sir Gawain and the Green knight’ (een Arthurlegende uit midden-Engeland die Tolkien heeft vertaald) bewoond een grafheuvel. Dit is de zogenaamde ‘groene kapel’. De goedaardige elfen uit de Ierse mythologie zijn ook grafheuvelbewoners. Grafheuvels waren niet slechts begraafplaatsen, het waren ook plaatsen om ingewijd te worden in een niet-fysiek bewustzijnsniveau. Het is de plek van doodse stilte en innerlijke rust, voorbij het lichaam en de gedachten.

Zo zou je kunnen zeggen dat Bilbo van de ene (graf)heuvel in het centrum naar een andere grafheuvel van de draak in de periferie reist. Pas als hij daar zijn beproeving heeft doorstaan kan hij terug naar zijn vertrouwde hobbithol. De stille plek als centrum in jezelf waar je altijd thuis bent is in je individuatie vaak pas weer te bereiken als je bent gaan reizen, avonturen hebt meegemaakt, je angsten onder ogen hebt gezien en de stemmetjes tot zwijgen hebt gebracht. Pas dan zal de haard die eerst uitgedoofd en lusteloos was, weer volop en vrolijk branden. Er stroomt weer energie van het grote naar het kleine centrum, van de ene holle heuvel naar die andere. (9)

Abe van der Veen

http://www.abedeverteller.nl

smaug

1) In de folklore wordt exact éénmaal melding gemaakt van een hobbit en wel in de Denham tracts, een opsomming van elfenwezens van de vroeg 19e eeuwse folklorist Michael Denham. Het is zeer de vraag of Tolkien ooit deze obscure tekst onder ogen heeft gehad.

What a happiness this must have been seventy or eighty years ago and upwards, to those chosen few who had the good luck to be born on the eve of this festival of all festivals; when the whole earth was so overrun with ghosts, boggles, bloody-bones, spirits, demons, ignis fatui, brownies, bugbears, black dogs, specters, shellycoats, scarecrows, witches, wizards, barguests, Robin-Goodfellows, hags, night-bats, scrags, breaknecks, fantasms, hobgoblins, hobhoulards, boggy-boes, dobbies, hob-thrusts, fetches, kelpies, warlocks, mock-beggars, mum-pokers, Jemmy-burties, urchins, satyrs, pans, fauns, sirens, tritons, centaurs, calcars, nymphs, imps, incubuses, spoorns, men-in-the-oak, hell-wains, fire-drakes, kit-a-can-sticks, Tom-tumblers, melch-dicks, larrs, kitty-witches, hobby-lanthorns, Dick-a-Tuesdays, Elf-fires, Gyl-burnt-tales, knockers, elves, rawheads, Meg-with-the-wads, old-shocks, ouphs, pad-foots, pixies, pictrees, giants, dwarfs, Tom-pokers, tutgots, snapdragons, sprets, spunks, conjurers, thurses, spurns, tantarrabobs, swaithes, tints, tod-lowries, Jack-in-the-Wads, mormos, changelings, redcaps, yeth-hounds, colt-pixies, Tom-thumbs, black-bugs, boggarts, scar-bugs, shag-foals, hodge-pochers, hob-thrushes, bugs, bull-beggars, bygorns, bolls, caddies, bomen, brags, wraiths, waffs, flay-boggarts, fiends, gallytrots, imps, gytrashes, patches, hob-and-lanthorns, gringes, boguests, bonelesses, Peg-powlers, pucks, fays, kidnappers, gallybeggars, hudskins, nickers, madcaps, trolls, robinets, friars’ lanthorns, silkies, cauld-lads, death-hearses, goblins, hob-headlesses, bugaboos, kows, or cowes, nickies, nacks necks, waiths, miffies, buckies, ghouls, sylphs, guests, swarths, freiths, freits, gy-carlins Gyre-carling, pigmies, chittifaces, nixies, Jinny-burnt-tails, dudmen, hell-hounds, dopple-gangers, boggleboes, bogies, redmen, portunes, grants, hobbits, hobgoblins, brown-men, cowies, dunnies, wirrikows, alholdes, mannikins, follets, korreds, lubberkins, cluricauns, kobolds, leprechauns, kors, mares, korreds, puckles korigans, sylvans, succubuses, blackmen, shadows, banshees, lian-hanshees, clabbernappers, Gabriel-hounds, mawkins, doubles, corpse lights or candles, scrats, mahounds, trows, gnomes, sprites, fates, fiends, sibyls, nicknevins, whitewomen, fairies, thrummy-caps, cutties, and nisses, and apparitions of every shape, make, form, fashion, kind and description, that there was not a village in England that had not its own peculiar ghost. Nay, every lone tenement, castle, or mansion-house, which could boast of any antiquity had its bogle, its specter, or its knocker. The churches, churchyards, and crossroads were all haunted. Every green lane had its boulder-stone on which an apparition kept watch at night. Every common had its circle of fairies belonging to it. And there was scarcely a shepherd to be met with who had not seen a spirit!

2) Volgens de Edda is hij één van de twee kinderen die in de maan te zien zijn. (Edda – Otten 40, 305) Of Tolkien deze connectie ook maakte weet ik niet, het is wel mogelijk met zijn kennis van de Edda en zijn expertise in filologie.

3)  W. Henderson – Folk lore of the northern countries p. 264

K. Briggs – A dictionary of fairies p.222

4)  In het boek ‘de Hobbit’ komen mensen pas ergens op driekwart van het verhaal aan bod. In de wereld van de hobgoblin is hij er onlosmakelijk mee verbonden. Hij zorgt voor het geluk en het welzijn van de familie en het huisgezin. In de ‘Lord of the Rings’ blijkt dat uiteindelijk de hobbit hier ook voor zorgt maar dan in een grote epische stijl voor de gehele mensheid..

5) British goblins – Wirt Sikes

6) Beowulf vs. 116: : ‘eotenas ond ylfe ond orcneas’
Graves – the white Goddess p. 231
http://en.wikipedia.org/wiki/Orc
http://en.wikipedia.org/wiki/Orcus

7) Vermeyden en Quak – van Aegir tot Ymir p.74

H.R. Davidson – Gods and myths of Northern Europe p.96

Frodi was een legendarische koning der Noormannen die een tijd van vrede en voorspoed bracht.

8) Beowulf (vert. M. Alexander) p.137 De gelijkenissen tussen de dief in Beowulf die een beker van de drakenschat steelt en de handelingen van Bilbo zijn héél interessant! http://www.sparknotes.com/lit/beowulf/section8.rhtml

9) Tolkien was goed thuis in de Noorse mythologie. Of hij ook veel wist van Britse folklore is minder duidelijk, maar hij had wel een kort essay geschreven over sprookjes en zijn interesse in dit onderwerp was zeker aanwezig.

Betekenis van het sprookje van Grimm: ‘de kaboutertjes’

Het bekendste sprookje over kabouters is ‘die Wichtelmänner’ (1) oftewel ‘de kaboutertjes’ uit de sprookjes van Grimm.  In net andere bewoordingen wordt dit zelfde sprookje ook verteld over de Nederlandse alvermannetjes en kabouters, Engelse pixies en Schotse brownies. Hieronder geef ik een esoterische uitleg van dit sprookje.. (2)

In het sprookje heeft een arme schoenmaker veel geluk omdat kaboutertjes het werk afmaken dat hijzelf `s-avonds onafgemaakt laat. De door de kabouters gemaakte schoenen zijn meesterlijk gemaakt. Op die manier keert spoedig zijn welvaart terug. Zijn vrouw wil de kabouters graag een keer zien en gaat op een avond gluren door een spleet in de vloer. Zij ziet dan dat de kabouters geen kleren aanhebben (of in andere versies slechts vodden).

Als dank voor al hun werk besluiten dan de schoenmaker en zijn vrouw om kleertjes voor de arme kabouters te maken. Ze leggen die de volgende avond voor ze neer. De kabouters doen de kleren aan en zijn zeer blij. Vanaf dat moment voelen ze zich te goed en te fijn om nog schoenmaker te zijn! Het komt echter ook voor dat de kabouters bij het zien van de kleren juist te beledigt zijn om nog te willen werken voor dit gezin.

In een andere versie van dit verhaal heeft niet slechts de schoenmaker baat bij de hulp van de kabouters, maar een hele stad. Alle ambachtslieden in Keulen varen wel bij de hulp van deze wezens. Op een kwade dag echter is een van de vrouwen zo nieuwsgierig dat ze persé de onzichtbare helpertjes wil zien. Als ze midden in de nacht de kaboutertjes bezig hoort schijnt ze plotseling een lamp op het tafereel. De kabouters stuiven alle kanten op en zijn sindsdien niet meer in de stad gezien.

Brownies

In Engeland heten deze elfen brownies en helpen niet alleen ambachtslieden, maar ook boeren bij hun werk. Zij zijn elfen die bij het huis of de familie horen. Vaak wonen ze op zolder, in de kelder, of in de haard. Als de familie zijn werk naar behoren doet, netjes en ijverig is, en als ze de huisgeest dagelijks een offer brengen van melk en brood dan beloont hij ze door de onafgemaakte klusjes van die dag ´s-nachts af  te maken. Als in het gezin echter luiheid, gierigheid of andere slechte eigenschappen heersen en als het voedseloffer niet gebracht wordt, kan de brownie veranderen in een plaaggeest. Hij verplaatst spullen of maakt ze weg, hij snoept van de voorraden, maakt vreemde geluiden en blaast de dekens van het bed. Ook al wil de familie verhuizen, dit zal niet helpen want de plaaggeest verhuist gewoon met hen mee!

In en uit de ‘flow’

Dit verhaal is een prachtig voorbeeld van in de ‘flow’ en uit de ‘flow’ zijn. Elfen zijn voor mij energetische processen. De zichtbare wereld van de mensen draait om objecten. De onzichtbare wereld van de elfen draait om processen! Onze wereld is statisch; met ons oog proberen we de wereld te fixeren en met onze geest proberen we de wereld te controleren. De elfenwereld is dynamisch, zij houdt geen seconde stil. Zij staat buiten tijd en ruimte en heeft daardoor ook geen besef van individualiteit. Elfen begeleiden de mensen continu bij de meest diverse handelingen. Zolang de mens die handelingen met zijn volle aandacht doet en daarbij opgaat in die handeling ontstaat er een ‘trance’ of een ‘flow’ waarin er geen energie ontsnapt uit het proces. De mens is volledig onderdeel geworden van de handeling die hij verricht, of dit nu gaat om schoonmaken, koeien melken, schoenmaken of  een kindje maken. In vroeger tijden was de identificatie tussen wat de mens is en wat hij doet nog veel meer volkomen. Je bent wat je doet, je bent boer, je bent bakker, je bent schoenmaker! Je identificeert je volkomen met je beroep. Je schept trots in de beheersing van je vak dat je hebt geleerd van je voorvaderen. Hierdoor zit er geen ruimte tussen jezelf en de handeling. Deze gaan in elkaar op. De menselijke energie en aandacht die in het maken van het product werden gestoken kwamen volkomen in het product terecht. Dit zorgde voor kwaliteit. Wie dit proces bekijkt vanuit eenheidsbewustzijn die weet dat de ambachtsman of de boer geholpen wordt door onzichtbare krachten. Elk proces is ook een elfenvorm, wie zich verbindt met dit proces, identificeert zich met die elfenkracht en wordt geholpen door de elfen! In feite vond die hulp van de elfen niet in de menselijke nacht plaats, maar in het nachtbewustzijn, in de geestenwereld. Wat de mens uitvoert in de mensenwereld, vind tegelijkertijd plaats in die andere wereld. Bij complete identificatie ontstaat er een meesterwerk, een proces waarvan het eindproduct zelf een bron van energie is geworden.

De tijd kwijt

Flauwe afspiegelingen van dit gegeven kunnen we vinden als we tijdens onze werkzaamheden ons besef van tijd verliezen en er een gevoel van rust op ons neerdaalt. Als we verfrist worden door ons werk in plaats van vermoeid. Soms zijn juist de nederige taakjes goed om die elfenkracht te voelen, bij het doen van de afwas, het wieden in de tuin en het schoonmaken van het toilet om eens wat te noemen. De elfen komen bij je op bezoek als je opgaat in het proces en je vergeet om te denken! Je maakt je het werk eigen, je verbindt je met je werk, waardoor je jouw indrukken tot uitdrukking kunt brengen.

De naakte kabouter

Op een gegeven moment doet de nieuwsgierigheid, de onderzoekende geest van de mens zijn intrede. Dit is niet slecht, de mens is namelijk meer dan een elf alleen. Zij is bestemd om te komen tot zelfbewustzijn. Dit wordt in het verhaal verbeeld door het geven van kleertjes aan de kabouters en in het proberen om de elfenwereld te verlichten door het ontsteken van de olielamp. De naaktheid van de kabouters staat voor een staat van eenheidsbewustzijn waarin er nog geen plaats is voor schaamte voor het eigen lichaam. Het besef van het individuele lichaam is er gewoon niet. Zij schamen zich niet voor hun viriliteit en creatieve kracht. Dit is te vergelijken met de naaktheid van Adam en Eva in het paradijs. De elfen zijn met recht beledigd als je ze probeert te verleiden om hun onschuldige paradijselijke staat te verlaten. Zonder kleren is iedereen gelijk. Kleren aandoen is het begin van beschaving. Je geeft jezelf een individualiteit en daarmee een masker. In de versie waar de kabouters de kleren wel aantrekken, staan zij voor de mensen die vallen voor de zonde van de hoogmoed. Niet slechts de kabouter, maar de kleermaker zelf voelt zich te goed, te mooi om nog slechts kleermaker te zijn, hij wil een identiteit voor zichzelf alleen en zich onderscheiden van andere kleermakers. Het ontsteken van de lamp is als de rationalisering van het proces. Elfenwezens laten zich niet rationaliseren en analyseren. Zij stuiven uiteen voor dit licht. Vervolgens kan er misschien een efficiënter productieproces bedacht worden, maar de ziel ontbreekt. Die is weggevlucht, samen met de elfen en de ambachtsman wordt fabrikant…

Abe van der Veen / de Verteller http://www.abedeverteller.nl   © dit werk is auteursrechtelijk beschermd

Lees ook mijn blog over de fallische kabouter en de oorsprong van de kabouter! https://abedeverteller.wordpress.com/2012/10/09/de-fallische-kabouter-romeinse-en-griekse-voorlopers-van-de-huidige-tuin-en-huiskabouter/

https://abedeverteller.wordpress.com/2012/10/16/de-oorsprong-van-de-kabouter-deel-twee/

1) Onder dit lemma vertelt Grimm eigenlijk drie kaboutersprookjes in één. Ik beperk mij tot het sprookje over de gave van kleren.

Je kan Wichtel vergelijken met het Nederlandse wicht voor (wissel)kind, wezen of demon en ‘vätte’ een Zweedse naam voor kabouter. Het derde verhaaltje gaat inderdaad over zo’n wisselkind..

2) Deze blog is een verkorte en aangepaste versie van een stuk wat ik eerder heb gepubliceerd in het – nu ter ziele zijnde – tijdschrift Religie en Mystiek.

Ik vond het iets te toepasselijk na de twee vorige kabouterblogs om niet nu opnieuw te plaatsen.

Het verhaal van Jack ‘O Lantern en de betekenis van Halloween / Samhain

Met Halloween, op de avond van de 31e oktober gaan er in vele landen kinderen langs de deuren met uitgeholde pompoenen met een lichtje erin. Ze roepen: “trick or treat” of iets dergelijks, en zijn vermomt als engerds, als vampiers, spoken, heksen of skeletten. Zo gaat de maskerade van deur tot deur tot er genoeg lekkers is verzameld en eindigt of begint bij een groot vuur, waar er nog een griezelig verhaal wordt verteld… (1)

Die uitgeholde pompoen wordt in de Angelsaksische landen de Jack ‘O Lantern genoemd. De herkomst van die naam is te vinden in de Ierse sage over een aartsschurk genaamd Stingy (=gierige) Jack.

Het verhaal van Jack ‘O Lantern

Stingy Jack was een man die in zijn leven niet wou deugen, maar wel de duivel een aantal keren te slim af was. Met Halloween komt de duivel naar zijn stamkroeg om zijn ziel te halen. Jack weet de duivel zo ver te krijgen dat hij zich in een muntstuk verandert om de waard te kunnen betalen en zet hem vervolgens gevangen in zijn geldbuidel waar een kruis op staat. De tweede maal – opnieuw met Halloween – smeekt hij de duivel om een appeltje voor hem te plukken. De duivel doet dat en kan vervolgens niet uit de boom vanwege het kruis dat Jack in de boom heeft gekerfd. Pas als hij belooft om Jack voor altijd met rust te laten bevrijd Jack de duivel uit de boom. Als hij na zijn dood bij de hemelpoort aanklopt wordt hij niet toegelaten. Maar ook de duivel houdt zijn belofte en ziet het überhaupt niet zitten zo’n slimmerik toegang te verlenen! Hij smeekt dan de duivel om een gloeiend kooltje voor wat warmte en om zijn weg door de wereld te verlichten. Jack krijgt het kooltje en beschermt het kooltje tegen weer en wind door het in een uitgeholde raap te plaatsen. Zo dwaalt hij met zijn lichtje als dwaallicht door de wereld tot het einde der tijden. (2)

Het dwaallichtje

Jack ‘O Lantern is één van de vele namen voor het dwaallichtje. (3) In het Engels ook wel Will-of-the-Wisp en Corpse Candle genaamd. De laatste naam verraad waar het om gaat: Een lichtje voortgebracht door de ziel van een dwalende dode. In de meeste gevallen gaat het om een ongedoopt kind, een brandstichter of een grenssteenverzetter. In het Halloween verhaal gaat het om iemand die te goed is voor de hel en te slecht voor de hemel. Deze dwalende doden worden hiermee een soort van elf. Ook elfen werden gezien als levend tussen hemel en hel. In een variant van het Jack ‘O Lantern verhaal klimt de man zelf de appelboom in, waar de duivel hem niet kan bereiken. De appel is een elfenboom (denk aan Avallon en Tir-Nan-Og), Jack vlucht dus naar de elfenwereld. (4)

Samhain

Juist met Halloween staan de elfenheuvelen wijd open en kunnen de geesten vrijelijk rondspoken. Dit komt doordat het een scharnierpunt in het jaar is. Het is een periode tussen de jaren in. Vroeger werd het feest in Schotland en Ierland Samhain genoemd. (5) Dit betekent letterlijk einde van de zomer. In Wales noemden ze ditzelfde feest Calan Gaef; het begin van de winter. Het is het begin van de donkere helft van het jaar. De Kelten zagen de avond, dus de komst van de duisternis als het begin van de nieuwe dag en naar analogie daarvan kan je aannemen dat Samhain als begin van de duistere periode ook het begin van het nieuwe jaar was. Op dit soort drempelmomenten zijn de sluiers tussen deze en de Andere wereld dun. Geesten, elfen en andere wezens kunnen op deze nacht ook in onze wereld ronddwalen of anders gezegd; wij zijn gevoeliger voor hun aanwezigheid en nemen ze eerder waar!

De geest te gast

Juist met Halloween – op de drempel tussen twee seizoenen – zouden de dolende geesten een versterkt contact kunnen maken met de wereld van de levenden. Gedreven door de komst van de kou verlieten ze de desolate plekken, de moerassen en heidevelden om terug te gaan naar de huizen, wellicht het huis waar ze ooit zelf woonden. Op die nacht vroegen de dolende geesten – en dus ook Jack ‘O Lantern – om gastvrijheid. Wie weigert om hem binnen te laten zal verwenst worden en  onheil over de hoofden van het gezin brengen. Wie de gast welkom heet wordt gezegend. Als je hem binnenlaat kan je hem mogelijk zelfs verlossen. Zelfs het woord gast is etymologisch verwant aan geest. Gastvrijheid is een heilige plicht, zelfs tegenover de doden!

Elk kind dat met Halloween rondloopt met een lichtje in een pompoen kan je zien als de verbeelding van zo’n dolende ziel. In Engeland benoemde men dit rondgaan met de veelzeggende term ‘to go a-souling’, de ‘treat’ werd een soul-cake genoemd. (6) Het kind komt met zijn (dwaal)lichtje en met zijn vermomming als geest aankloppen op zoek naar gastvrijheid, om binnen genood te worden voor een beetje warmte en een versnapering en vraagt “trick or treat”. De ‘trick’ is te zien als het onheil. Na de ‘treat’ kan de geest zegen brengen. De gemaskerde optocht is dus een geestenoptocht. Masker komt van ‘masca’ dat staat voor heks of geest en ‘mom’ in het woord vermomming staat ook voor geest!

De laatste oogst

De maskerades werden vroeger door volwassenen gehouden. Deze wisten de achtergrond en wilden – voor die ene keer in het jaar – zijn als een dode om de verwantschap met de vereerde geesten van de voorouders te voelen. Zo hielpen zij mee met de derde en laatste oogst. Vlak voor Halloween werden op het veld de laatste restanten binnengehaald zoals knollen, rapen en later pompoenen. Maar op Halloween zelf volgde de allerlaatste oogst die binnengehaald werd door de Dood zelf. Magere Hein: het skelet met zeis en zandloper, gehuld in een mantel, kwam zielen oogsten. (7) , Hij wordt ook wel de ‘grim reaper’ , oftewel de gemaskerde oogster genoemd. Dit maakt Halloween tot zowel een oogstfeest als een feest van de doden!

De god van de dood

Sommigen beweren dat Samhain vernoemd is naar een Arische god van de dood Samana. Daarbij word dan ook verwezen naar de engel des doods in de Talmud genaamd Samaël. Voor deze theorie zijn geen harde bewijzen. (8) Toch is het erg toevallig dat in de voodoo van Haïti de loa of god van de dood ‘baron samedi’ heet. Zijn feest word ook nog gevierd in de halloweentijd. Samedi is zaterdag, de laatste dag van de week.

(Kaart XIII De dood in middeleeuwse tarotspelen afgebeeld als een zielen oogstend skelet)

De grimmige, dus gemaskerde oogster snijdt met zijn zeis de laatste hechtingen af die de ziel aan deze wereld bindt. Hij neemt de zielen van het afgelopen jaar mee naar de geestenwereld. Het gaat hier om de nog ronddolende zielen, de dwaallichtjes. Deze zielen hebben de weg naar beneden of naar boven nog niet gevonden of zijn nog te gehecht aan het aardse om deze wereld te verlaten. Met Samhain / Halloween worden deze zielen overgebracht naar de andere kant. De mensen hielpen – door middel van de maskerade van Halloween – de god van de dood mee. Uit dankbaarheid daarvoor zouden zielen vanuit de andere wereld overvloed en vruchtbaarheid brengen aan de levenden.. (9) In de Christelijke tijd werd dit gebruik zo veel mogelijk vervangen door het bidden voor de arme zielen in het vagevuur met Allerheiligen en Allerzielen. Gemaskerd rondlopen werd gezien als heulen met demonen. Het lichtje waar je mee rondliep was hellevuur. Toch was het gebruik niet volledig uit te roeien.

Bon(e)fire en needfire

In het verhaal van Jack ‘O lantern moest Jack zijn lichtje uit de hel halen. Het is de vraag of dit een duivels lichtje was. Het zou ook afkomstig kunnen zijn van de ‘bon(e)fires’ die op de heuvels werden aangestoken met Samhain, zodat ze van verre te zien waren. (10) Hierbij moest op een rituele manier vuur gemaakt worden, het zogenaamde noodvuurDit was vuur dat werd gemaakt door middel van wrijving van hout tegen hout. Voor een nieuw zuiver begin van het jaar was het nodig om de vuren in de haarden van alle huizen te doven. Elke huisvader moest naar het grote vuur op de heuvel dat in heidense tijden door de druïden – en later door gewone huisvaders – werd aangestoken met dit noodvuur. Hier kregen ze – waarschijnlijk in ruil voor een dierenoffer – een gloeiende kool mee, om in eigen huis de haard mee aan te steken. ‘Bonfire’ is waarschijnlijk een ‘bonefire’. Het is een ritueel vuur waarin de beenderen van de geofferde dieren in werden verbrand. (11)

Om dit vuur tegen wind en regen te beschermen stak men het in een uitgeholde raap (pompoenen hadden ze in die tijd nog niet in Europa). Met dit licht wezen ze mogelijk de dolende geest van de voorouder ook de weg. Door deze uit te nodigen in het huis en met het licht de haard te ontsteken, kon de vooroudergeest via de haard rust vinden en naar de boven of onderwereld reizen. Van daaruit kon hij een beschermgeest zijn voor zijn familie. Hij hield zijn familie in de gaten en  kon vanuit de haard geluk en voorspoed bezorgen als hij vond dat ze dat verdienden. Zo wordt onbewust met de Jack ‘O Lantern van Halloween een oeroud ritueel in ere gehouden.

Auteur: Abe van der Veen

Voor mijn nieuwste artikelen zie: http://www.abedeverteller.nl/artikelen-symboliek/

http://www.abedeverteller.nl

Noten:

1) Ik gebruik hier het woord Halloween in plaats van Samhain omdat dit beter bekend is bij het algemene lezerspubliek.

De bronnen die ik gebruik zijn voornamelijk afkomstig uit Ierland, Schotland, Wales en Engeland. Het is de vraag of en op welke manier dit feest buiten dit gebied werd gevierd.

2) Lauvrijs – Halloween p.49

http://en.wikipedia.org/wiki/Stingy_Jack

De duivel staat o.a. voor onmatigheid en disbalans. Het kruis kan je zien als een centrerend teken dat je bij jezelf houdt. Daar kan de duivel je niet raken. Als de duivel er niet bij kan komen, zou je hem er zelfs mee kunnen vangen!

3) http://en.wikipedia.org/wiki/Jack-o’-lantern Het woord Jack ‘O Lantern wordt het eerst genoteerd in 1663.

4) Graves – the white goddess p.246 Hier is het een Welsh verhaal over ene Sion Kent. Er is ook een Ierse versie over Billy Dawson (die ik al vele malen heb verteld) en een versie over de ketellapper van Tamlacht. Bij deze versies wordt echter geen aandacht besteedt aan de connectie met Halloween.

5) Bijzonder is dat de Romeinen in deze periode ook hun Mania vierden waarin de put naar de onderwereld open werd gezet en de geesten van de overledenen vrijelijk rond konden dwalen.

De meeste heidenen noemen dit feest nu nog Samhain (Meestal uitgesproken als Zou-In http://en.wiktionary.org/wiki/Samhain#Pronunciation)

6) Lankester – De acht jaarfeesten p. 52

7) Een andere variant van de zielenoogst is het fenomeen van de ‘Wilde Jacht’.

8) Mark Oxbrow – Halloween en Lauvrijs p. 14 
Als er toch geen dodengod Samana blijkt te bestaan is er in ieder geval nog de wintergodin Cailleach wiens heerschappij begint met Samhain..
9) Lankester – De acht jaarfeesten p.51
10) Lauvrijs p.63 vuur
Oxbrow – Halloween p. 149-152 needfire
Mogelijk gebeurde dit zelfs op plaatsen zoals grafheuvels waar van gezegd werd dat de elfen er woonden.. 
11) http://en.wiktionary.org/wiki/bonfire
 

De oorsprong van de kabouter

In de klassiek Romeinse tijd zocht men zijn bescherming en voorspoed niet alleen bij de grote goden, maar ook bij de huisgoden. Deze werden vereerd en als beeldjes bewaard bij de haard. Hier werden ook kleine offers aan gebracht. Vaak hadden ze een fallisch uiterlijk. De Romeinen noemden ze Laren en Penaten, de oude Angelsaksische naam voor deze wezens is de Cofgoda. In het volgende stuk geef ik verschillende voorbeelden van huisgeesten door Europa heen die laten zien dat dit gebruik niet uitstierf maar veranderde in het volksgeloof rond de huiskabouter. Ook dezen gaven zegen aan het huis, leefden veelal bij de haard en waren soms fallisch of naakt.

Kobold en galgenman

De Nederlandse kabouter en de Duitse Kobold zijn etymologisch aan elkaar verwant. Het woord betekent beschermende huis- of stalgeest. (In de folklore wordt zelden over de tegenwoordig zo populaire boskabouter gesproken.) Ook de Franse gobelin en de Engelse (hob)goblin horen bij dezelfde woordgroep en zijn huisgeesten. (1) De huisgeest heet in Duitsland ook wel het Heinzelmannetje of galgenmannetje.  In het 13e eeuwse Duitsland werden van deze kobolden beeldjes gesneden uit alruin, buxus of was om in de kamer te zetten. Rondom het galgenmannetje – een mensvorm gesneden uit een alruinswortel – bestond een plethora aan magische voorstellingen. Voornamelijk vanwege de hallucinogene effecten van de wortel en de vorm die enigszins aan een naakte man doet denken. (2) 

Het beeldje zou geluk en welvaart brengen, maar als hij slecht behandeld werd kon hij ook tot een plaaggeest worden. De kobold zou de geest van de boom of plant zijn die in het beeld gevangen zat. Deze beelden waren 30 tot 60 centimeter. Ze hadden groene kleren aan en een buitenproportioneel grote mond. Zij werden opgesloten in dozen en binnen op geheime plaatsen bewaard, waarschijnlijk dicht bij de haard. Hij is daarmee te vergelijken met de Laren en Penaten uit de Romeinse tijd. (3)

Hobgoblin

In Engeland wordt deze geest (hob)goblin genoemd. De hob is de haard, dus het is een huisgeest die voornamelijk bij de haard verblijft. Als hob of hobgoblin is het een goede geest die ‘s-nachts als de mensen slapen – meestal naakt of in lompen gekleed – huishoudelijke taakjes doet. Alleen als hij slecht behandelt word kan hij tot een plaaggeest verworden. De goblin daarentegen is al een kwade plaaggeest vanaf het begin. Het lijkt alsof de hob of haard en daarmee het vrouwelijke element de trekken van de goblin verzacht en hem milder maakt. De hob wordt ook in verband gebracht met de godin Cova/ Godiva. Haar schrijn in Coventry stond bij de bron van Hob. Robin Goodfellow en Puck worden ook wel hobgoblin genoemd. Hij werd wel voorgesteld als een priapische duivel met ezelsoren. (4)

Hier een sage uit Herefordshire over de connectie met de haard: Er was in een huis een Hobgoblin die als het niet naar zijn zin ging alle sleutels van het huis stal. Pas als er cake op de haard werd geplaatst en de mensen van het huis rondom het vuur gingen zitten met gesloten ogen kwam hij terug op zijn plaats op het hoefijzer dat boven het vuur hing en gooide hij de sleutels tegen de muur.  Een hoefijzer is één van de symbolen van de aardegodin. (5)

Kabouter, Tomte en Lutin

Een sage uit Noord-Holland vertelt in een paar zinnen de connectie van de huisgeest met een offer en met de haard: In een huis waren er naast het grote vuurgat onder de schoorsteen nog twee kleinere gaten. Daaruit kwamen ‘s-nachts klaboutertjes. Elke avond zette de vrouw eten voor hen klaar, maar de man begon dat te vervelen en gooide petroleum over het eten. De dag daarop vonden ze een brief; klaboutertje zijn eten weg, klaboutertje zijn zegen weg.. Na die tijd was er geen voorspoed meer in het huis. (6) 

Bijzonder is dat in vele verhalen rond kabouters zij worden voorgesteld als naakt. Of dit ook priapisch naakt is wordt er niet bij verteld maar deze 16e eeuwse illustratie van een – klusjes in de stal verrichtende – tomte doet dit wel vermoeden. De tomte of nisse is de Scandinavische variant van de huisgeest. (7)

In Frankrijk werd de huisgeest Lutin genoemd en komt al voor in de literatuur van de 12e eeuw. Lutin komt van netun en nuiton wat Neptunus de zeegod en nuit, de nacht betekend. Er is dus een associatie met water en duisternis. Toch is hij ten eersten male een huisgeest, maar dan wel een die via de haard en de schoorsteen in verbinding staat met de duistere waterige wereld daarbuiten. Hij is geobsedeerd door vrouwen en wil hen aldoor plagen wat heeft geleid tot het woord ‘lutiner’ voor ietwat getint plagen of kietelen. (8)

De haard

Al deze geestverschijningen krijgen meer zin als je weet dat de haard een van de ingangen is naar de Geestenwereld. Zij konden via de schoorsteen binnenkomen uit de bovenwereld en onder de haardsteen vandaan uit de onderwereld. Het Latijnse woord voor haard is focus en wie zich kan concentreren op het vuur in de haard, die kan naar binnen kijken. Via de schouw kan hij schouwen en verder kijken dan de materiële wereld. Heks, Sint en elf reizen via de schoorsteen, maar ook de voorouders. Door middel van de beeldjes en het kleine offer van melk en brood blijven zij verbonden met de plaats waar zij vroeger ook geleefd en gewoond hebben – of anders met de familie waar ze bij hoorden – en houden via de schouw een oogje in het zeil. (9)

Dit geeft ook een goede reden voor de naaktheid van de kabouter: Alleen zonder kleren valt er te reizen in de geestenwereld. Kleren zijn materie en die laat je thuis. Het aanbieden van kleren is dan ook een grote belediging! Ook de heksen reisden naakt via de schoorsteen naar de sabbat.

Mijngeesten en scheepskabouters

De huisgeest heeft een aantal zeer interessante connecties met de mijngeest en de geest van het schip. Ook in het schip en de mijn vinden we kleine gemutste mannen die kobold of klabouter genoemd worden en die het schip en de bemanning of de mijn en de mijnwerkers beschermen. Mogelijk namen de schippers en mijnwerkers de beeldjes van hun huisgeesten van thuis mee om ook op gevaarlijke plekken als de zee en onder de grond voor bescherming te zorgen. Dit zou logisch zijn als je weet dat de mijnen geassocieerd worden met de onderwereld en de zee met de kosmische zee van de nachthemel. Op beide plaatsen weten deze geesten de weg.

Als mijngeest heeft de kobold gezorgd voor het woord kobalt voor een bepaald soort metaal, net zoals de berggeest- of duivel Nickel heeft gezorgd voor de benaming van het metaal nikkel. Beide metalen werden door de mijnwerkers niet erg op prijs gesteld. De kobold waarschuwde de mijnwerker voor mogelijk instortingsgevaar door vlak van te voren kloppende geluiden te maken. In Cornwall heten ze daarom ook ‘knockers’. Andere mijnwerkers – die ze vooral als boze geesten zagen – beschuldigden ze juist dat de geluiden afkomstig waren van kobolden die bezig waren de mijnen te doen instorten. (10) Naast de kobold als mijngeest gaat er ook een theorie dat de kabouter oorspronkelijk zelf een mijnwerker is geweest. In het middeleeuwse Cappadocië zouden mijnwerkers de typische kaboutermuts hebben gedragen en ook – vanwege de nauwe gangen – dwergachtig zijn geweest. Aan de ingang van de mijn werden beelden geplaatst die op hen leken. Later werden deze beelden nagemaakt  en in Italische rennaissancetuinen geplaatst. Zo zou het hebben geleid tot ons beeld van de tuinkabouter. (11)

(een 16e eeuwse afbeelding van alle drie varianten: links mijngeest, midden huis/stalgeest en rechts geest van het schip Olaus Magnus – Gentibus 1555)

Klabouterman
Aan boord van Duitse, Nederlandse en Vlaamse schepen was er een beschermende geest die Klabouterman werd genoemd! Klabouter zou van ‘klabastern’ oftewel geluid maken of rommelen komen.. De klabouter klopte op de scheepswand om te waarschuwen waar de slechte plekken zaten. Net zoals de mijnkobold klopte als waarschuwing voor een mogelijke instorting van een mijngang! Het bold deel in kobold zou weer terug te vinden zijn in poltergeist, waarbij dit dan staat voor bolderen/polteren’ wat ook lawaai maken betekend. De scheepskabouter was de geest die in het boegbeeld van een schip zat, of in een beeldje dat vastgemaakt was aan de mast. Deze was gemaakt uit de levensboom van een gestorven kind. De ziel van het kind zou in het beeld zitten. De geest beschermde het schip en hielp zelfs bij kleine taken aan boord. Als de klabouterman van boord ging was dit een duidelijke waarschuwing dat het schip zou vergaan. (12) 

Conclusie

Zo zijn er nog veel meer voorbeelden te noemen van huisgeesten in Europa. Voor mij is het wezen en de oorsprong van de huiskabouter zo belangrijk  omdat ze – via de haard – een connectie maken met die andere wereld waar we onze energie en onze inspiratie vandaan halen. De kabouters zijn bijna altijd mannelijk, maar zij wonen in het ultiem vrouwelijke, de haard. Zo symboliseren zij een samengaan van mannelijke en vrouwelijke energie, die soms verbeeld wordt door ze fallisch af te beelden. Ook al heeft een modern huis vaak geen haard meer, toch kunnen we via ons huisaltaar – en de beeldjes die daar op staan – het geluk en de kabouterzegen ons huis binnen laten!

Abe van der Veen / de Verteller http://www.abedeverteller.nl   © dit werk is auteursrechtelijk beschermd

Lees ook deel 1: de fallische kabouter https://abedeverteller.wordpress.com/2012/10/09/de-fallische-kabouter-romeinse-en-griekse-voorlopers-van-de-huidige-tuin-en-huiskabouter/

Noten

http://en.wikipedia.org/wiki/Kobold

2 Leert de betekenis van het woord plethora 🙂

http://www.youtube.com/watch?v=-mTUmczVdik

Vorig jaar een artikel over de alruinswortel geschreven. Deze zal iig onderdeel gaan uitmaken over mijn te verschijnen boek over de symboliek van bomen en kruiden..

3 N. Arrowsmith – a field guide to the little people p.136

http://en.wikipedia.org/wiki/Kobold

Grimm – Teutonic mythology H 17 p.12

http://weavingandmagic.blogspot.nl/2011/01/lady-godiva-and-her-priest-king.html

De vrouwelijke pendant van de cofgoda’s of de genii cucculati was Cuda/Cofa/Goda. Ook bekend als de naakt paardrijdende vrouwe Godiva. In Cofa zit het woord huis en Cuda wordt afgebeeld samen met de kabouterachtige genii cucculati. In Coventry was haar schrijn bij de bron van ‘Hob’. Hob werd ook gebruikt als volkse naam voor de duivel, maar is vooral bekend als hobgoblin, de huisgeest bij de haard.. (zie ook mijn vorige blog over de kabouter)

Shakespeare – A midsummernight’s dream

5 Arrowsmith p.122

6 K. ter Laan – Nederlandse overleveringen p. 46

http://en.wikipedia.org/wiki/Tomte

http://fr.wikipedia.org/wiki/Lutin

9 Walker – Woman’s dictionary p.137

Denk ook aan de wortel en het hooi in de schoen voor het paard van Sinterklaas..

10 http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/nikkel

http://en.wikipedia.org/wiki/Kobold

11 Dhaene en vanden Berge – Mannen met baarden p. 26-27 en 38-40

12 Arrowsmith 152

http://en.wikipedia.org/wiki/Klabautermann

13 Het teken van de haardgodin is een conisch gevormde hoop met as waarin de rode gloed van het vuur bewaard wordt.. Dit doet sterk denken aan de conisch gevormde hoeden van de Genii Cucculatii en de latere kabouters..

N. Arrowsmith – a field guide to the little people

B. Thorpe – Northern mythology p. 183-184

T. Keightley – Gnomes, fairies, elves p. 239

De fallische kabouter. Romeinse en Griekse voorlopers van de huidige tuin- en huiskabouter.

Priapus en de kabouter

Van de (tuin)kabouter wordt beweerd dat hij een verre nazaat is van de groot geschapen god Priapus. Priapus is de Romeinse tuingod, die vooral de moestuinen van de kleine lieden beschermde – soms letterlijk door als vogelverschrikker te fungeren – en zo voor een goede opbrengst zorgde. Hij heeft inderdaad een aantal opmerkelijke overeenkomsten met de kabouter. Hij heeft de kenmerkende rode Frygische muts die de kabouters ook meestal dragen. Hij is klein, dwergachtig te noemen en hij is dik en lelijk. Ook stonden zijn beeldjes, net als die van de tuinkabouter, in de tuin. Het grote verschil met de kabouter is ook duidelijk: zijn gigantische fallus. De Romein Catullus noemt Priapus een: “pot-bellied garden-gnome with an oversized prick, sort of like a teapot.”. (1)

De kabouters lijken onschuldige, zelfs seksloze wezens te zijn. Toch schijn bedriegt. Ten eerste vind je nogal eens schattige ezeltjes staan naast de tuinkabouter. Priapus had ook wat met ezels maar dan anders. Ter zijner ere werden ezels geslacht. Dit begon nadat Priapus een wedstrijd had gewonnen met een ezel over de vraag wiens lid het grootste was. In een ander verhaal was het uit wraak omdat een ezel de slapende maagd Lotis (of Vesta) had wakker gemaakt met zijn balken terwijl hij haar juist zou bestijgen..

En dan die rode muts.. De muts van de (tuin)kabouters is meestal een Frygische muts. Deze muts zie je – behalve bij Priapus – ook bij de Frygische aanbidder van Pan, koning Midas. Deze zou die muts gedragen hebben om zijn ezelsoren te verbergen. De ezel is echter minstens zo bekend om zijn grote fallus.. Dit zou best vergezocht zijn, ware het niet dat er een Gallo-Romeins beeldje is gevonden uit de 1e eeuw nC van Priapus wat uit twee delen bestaat. De bovenkant is een gebaarde en gemutste man, maar als die kant op wordt geheven blijkt het een fallus te zijn!

Goden van het huis

Dit beeldje wordt ook wel gezien als één van de Genii Cucullati. Dit zijn beeltenissen van dwergachtige mannen (meestal drie) in mantel en kap, die in de laat-Romeinse tijd in Gallië en Brittannië gevonden zijn. Zij lijken sterk op kabouters, door hun afmetingen en hun conische kap of Frygische muts. Zij worden in ieder geval in dit voorbeeld als fallisch afgebeeld. De Genii Cucullati worden ook afgebeeld samen met een godin genaamd Cuda, die dezelfde zou zijn als Cofa en Goda. (Goda kennen wij het best als de naakt paardrijdende Lady Godiva van Coventry.) Cofa betekend het binnenste deel van het huis en het Angelsaksische woord voor de huisgoden is ‘Cofgodu’. Dit zou de Genii Cucullati tot huisgoden maken. Ook kabouters kan je zien als beschermende geesten van het huis. De afbeelding met Cuda/ Cofa is opmerkelijk. Meestal worden de Genii Cucullatii afgebeeld met eieren, maar in dit voorbeeld krijgen ze van de godin een fallisch uitziend object aangeboden.. (2)

Laren en Penaten

Terwijl de kabouter als tuingeest en beschermer goed te vergelijken viel met Priapus, komen we nu met de Genii Cuculati en de cofgodu de voorlopers van de huiskabouters tegen. Temeer omdat cofgodu als synoniem werd gebruikt voor de Romeinse Laren en Penaten. Laren zijn – erg kort door de bocht – de beschermende geesten van het huis en/of de voorouders en Penaten de beschermers van de voorraad. De kleine beeldjes van de Laren en Penaten werden naast elkaar in elke Romeinse ‘domus’ vereerd en daarom ook regelmatig met elkaar geïdentificeerd. Beiden werden sterk geassocieerd met de haard. De beeldjes werden in de ‘cofa’ – of in het Latijn – de ‘penetralis’ bewaard. De Penaten worden ook wel penetralia genoemd. De voorraadkast stond bij de Romeinen in het binnenste deel van het huis, de zogenoemde ‘penus’. Hier was ook het kastje waar de beeldjes van de Laren en penaten stonden; het Lararium. Deze was meestal dicht bij de haard te vinden.  Daarin klopt de beeldspraak goed, want de haard is het hart van het huis en tegelijkertijd via het rookgat in het dak een toegang naar de andere wereld en zo te vergelijken met de vulva. Een voor de hand liggende plaats voor fallische beeldjes.. (3)

Vergelijking met de kabouters

Ook op andere gebieden hebben de Laren en Penaten veel gemeen met de huiskabouters. Net als met de kabouters werd er een klein offer aan ze gebracht in de vorm van bv. wat brood en melk dat de haard in werd geschoven. Als ze met respect werden behandeld zouden ze het huis zegen en welvaart brengen. Huiskabouters deden dat letterlijk door allerhande kleine klusjes voor de familie op te knappen in de nacht, maar ze brachten ook figuurlijk zegen aan het huis. Als de kabouter vertrok verdween meestal ook het geluk in het huis. Als de familie zelf vertrekt uit het huis blijven de Laren zitten, maar de Penaten – die verbonden zijn aan de familie – verhuizen mee.. Hierin lijken ze ook op kabouters. In verschillende sagen wordt verteld van lastige kobolden/ kabouters die mee verhuizen als de familie verhuist omdat ze deze huisgeest te eng of te lastig vinden.. (4)

De sierlijke afbeeldingen van Laren lijken niet echt op kabouters. Maar met de Lar Familiaris van de tempel van Vesta in Rome behouden we wel de fallische connotatie. Vesta, de godin van de haard bewaarde in het heiligste der heiligen van de tempel (de penus) het Palladium dat  beschreven wordt als een fallisch object of anders een object dat de coïtus voorstelt, de Penaten die Aeneas uit Troje had meegebracht, en een beeltenis van de Lar Familiaris in de vorm van een fallus, de ‘fascinus populi Romani’. Die fallus werd bij rondritten van triomferende generaals uit het heiligdom gehaald om onder het rijtuig van de generaal te plaatsen als bescherming tegen het boze oog.

Verder komt deze voor in een verhaal over de conceptie van de zesde koning van Rome, Servius Tullius. Zijn moeder was een Vestaalse maagd. Toen zij het eeuwige vuur van de heilige haard had besprenkeld met een offer voor de Lar Familiaris rees er een fallus op uit de haard die haar penetreerde. Hiervan werd zij zwanger. De fallus is hier naar alle waarschijnlijkheid een verschijningsvorm van de Lar Familiaris. Ook van de stichter van Rome, Romulus wordt gezegd dat zijn moeder door een uit de haard op rijzende fallus werd bezwangerd. (5)

Etymologie van de kabouter

Het woord Kabouter is al bekend uit de zestiende eeuw en als cobbauter zelfs al uit de 13e eeuw. Hij wordt daar een kwade geest genoemd. Het eerste lid zou komen van cove of kuba wat huis of stal betekend, met name het binnenste gedeelte. Het 2e lid –bouter zou van ‘old’ komen wat beschermen of besturen betekend. Dit is beter te plaatsen als je het woord kabouter naast het Duitse kobold zet. Outer – oud wordt dan old. Het 2e lid kan ook geest of demon betekenen. Zo krijg je uit de etymologie het beeld van een beschermende huis- of stalgeest. (6)

Het woord kobold/kabouter zou zelfs van het nog oudere ‘kobalos’ afstammen. De ‘kobaloi’ waren plaaggeesten uit de Griekse oudheid in de vorm van fallische dwergen met conische hoeden op.  Kobalos betekent schurk of schavuit. Deze geest wordt wel vergeleken met geesten als de Kerkopen en de Kabeiroi. In de bronnen worden al deze wezens als fallisch aangeduid. Helaas zijn er weinig gegevens of afbeeldingen van deze geesten. Het blijft zo bij een tantaliserende glimp van de aller-vroegste kabouter.. De ‘kobalos’ heeft zijn naam mogelijk gegeven aan verschillende huisgeesten door Europa heen zoals de Franse gobelin, de Duitse kobold, de Engelse (hob)goblin en de Nederlandse kabouter. (7)

Conclusie

Al sinds de oudheid weten we ons huis en haard beschermd door een huisgeest of god. Over de eeuwen heen is dit wezen telkens van naam verandert, maar zijn functie bleef dezelfde; bescherming, vrede en vruchtbaarheid brengen aan het huis en de familie. Telkens onder de oppervlakte verborgen werd dit wezen – laten we hem kabouter noemen – gekoppeld aan de fallus. Nog meer verborgen is het wellicht dat deze fallische huisgeest  in of bij de haard hoort. Pas als het ultiem mannelijke bij het vrouwelijke wordt gebracht kan er werkelijk vrede, vruchtbaarheid en voorspoed in het huis zijn!

Aanvulling: Ook in Scandinavië vinden we een beeldje van een kabouterachtige fallische man. Het werd gevonden in Rallinge, Zweden uit de 11e Eeuw. Zie hier de afbeelding:

freyr phallic

Dit beeldje wordt meestal geïnterpreteerd als een beeldje van Freyer, de vruchtbaarheidsgod van de Noormannen. Interessant is zijn associatie met de elfen. Hij kreeg het Alvenheim als tandgeld. Oftewel toen hij zijn eerste tand verloor kreeg hij als kado het rijk der elfen! (Poëtische Edda; Grimnismal vs. 5)

Zie ook deel twee: https://abedeverteller.wordpress.com/2012/10/16/de-oorsprong-van-de-kabouter-deel-twee/

Abe van der Veen / de Verteller    © dit werk is auteursrechtelijk beschermd http://www.abedeverteller.nl

Noten:

1 Dhaene en vanden Berge – Mannen met baarden p. 26-27 en 38-40  http://www.arespress.com/AresPages/Priapus/Priapus.html Helaas heb ik de Latijnse versie van deze zin niet kunnen vinden..

http://www.sacred-texts.com/cla/priap/priapeia.htm

Zelfs de Egyptische god Bes wordt wel als een voorloper van de kabouter gezien.. Hij is inderdaad een beschermer van de familie, vruchtbaarheid brengend, ithyfallisch en dwergachtig. Hij zag er zo uit: 

Symbol and Image in Celtic Religious Art – Miranda Green p. 185

http://www.unc.edu/~css/start.html

http://weavingandmagic.blogspot.nl/2011/01/lady-godiva-and-her-priest-king.html

3  Conway – demonology and devil lore p.233

http://www.perseus.tufts.edu/hopper/text?doc=Perseus:text:1999.04.0059:entry=penetralis

4 Lankester – Westerse goden en godinnen p. 143

http://en.wikipedia.org/wiki/Lares_Familiares

5 The idea of a town – Rykwert p. 159

http://en.wikipedia.org/wiki/Servius_Tullius#Parentage_and_birth

http://en.wikipedia.org/wiki/Fascinus

6 kabouter: zou afgeleid zijn van het Germaanse woord *kuƀa-walda ‘huisbewaarder’ of *kuƀa-hulþa ‘het huis welgezinde’ (als Duits Kobold ‘hoogmoedige, goed- of kwaadaardige huisgeest’), dat waarschijnlijk een samenstelling is, waarvan neemt dan als eerste lid aan Middelnederlands cove, Oostmiddelnederlands cave ‘hut, huisje’ (vgl. Duits Koben ‘stal, schuur’, Engels coveZweeds kofve ‘vertrek’). Dit woord vergelijkt men met Oudengels cofgoducofgodas ‘penates, lares’.

http://www.etymologiebank.nl/trefwoord/kabouter

7 The great Dionisac myth part two – Brown p. 230

http://en.wikipedia.org/wiki/Kobalos

De leprechaun: meester van de paradox

Ondanks dat de Leprechaun – naast de harp en het klaverblad – één van de bekendste symbolen is voor Ierland, wordt zij door de Ieren zelf gezien als iets gênants en belachelijks, slechts geschikt om er toeristen mee te amuseren.

Het uiterlijk van deze solitaire Ierse elf is inderdaad nogal potsierlijk. Hij is kniehoog of soms zelfs zo klein dat hij onder een paddenstoel past. Hij heeft een driekantige steek op zijn hoofd, die hij soms gebruikt om er ondersteboven op rond te tollen. Hij heeft rood haar en bakkebaarden een pijpje in de mond en een grote bierpul binnen handbereik. Voeg daarbij zijn schoenen met grote zilveren gespen, zijn ouderwetse bruine kleren en het eeuwige gezwets over zijn ‘crock of gold’ (meestal onder de regenboog) en het wordt enorm moeilijk om dit wezen serieus te nemen! De hedendaagse commerciële variant is nog vele malen erger.. (1)

Toch is de Leprechaun niet zo  plat als lijkt op het eerste gezicht. Het is tijd om dit elfenwezen te herwaarderen en het de plaats te geven die het toekomt als wijze èn dwaze meester van de paradox. Onder de schijnbaar onlogische dingen die de leprechaun doet zit een diepere waarheid verborgen die werkelijk leidt naar het vinden van een innerlijke schat. Dat blijkt onder andere uit de twee meest bekende verhalen over leprechaun; ‘the field of boliauns’ en ‘thrice laughs the Leprechaun’. (2)

‘Luchorpan’ en ‘Leith Brogan’

Eerst nog kort iets over de etymologie van dit elfenwezen: Leprechaun zou afstammen van het Ierse ‘Luchorpan’ oftewel ‘kleine man’ of anders van ‘leith brogan’; ‘één-schoenmaker’. Ook wordt de leprechaun nogal eens verward met de cluricaun. Als dit om een en hetzelfde wezen gaat, dan is de cluricaun de nachtversie van de leprechaun die – na gedane arbeid – zich gaat bezatten met bier of ‘poteen’ . (3)

 ‘The field of boliauns’

In het eerste verhaal vindt een jongen onder een heg een leprechaun. De heg is een praktische en symbolische grens tussen twee werelden. Het is de versperring en tegelijk de poort tussen de wereld van de mens en die van de natuur, tussen die van orde en chaos of tussen elf en mens.

Hij tikt met zijn hamer spijkers in één schoen. Een tweede is nergens te zien. De leprechaun wordt om deze reden de ‘leith brogan’ of de ‘één- schoenmaker’ genoemd. (4) Waarom maar één schoen? Dit lijkt niet logisch, en doet me denken aan het bekende Zen-Boeddhistische raadsel; ‘wat is het geluid van één klappende hand?’ De zinloze bezigheid van het maken van één schoen krijgt pas zin als de schoen niet bestemd is voor een wezen van de dualiteit, maar voor iemand uit de geesten- of elfenwereld. Dezen maken deel uit van de wereld waarin je niet vertoeft met twee benen, maar als één energieveld. Slechts één schoen is nodig in die wereld..

Heidebier

De jongen vraagt vervolgens naar het bier dat de leprechaun drinkt uit een pul die zo groot is als de elf zelf. De leprechaun zegt dat het ‘heather-ale’ is en gemaakt van heide. Bier puur gemaakt van heide bestaat echter niet. Het goudgele bier maken van heide – de plant bij uitstek van onvruchtbare grond – is te vergelijken met het alchemistische werk om uit lood goud proberen te maken. Het kan nooit in deze wereld, maar in de andere wereld is het wèl mogelijk! Heide tot bier maken gaat dan om het vergeestelijken van het materiële. Je kan trouwens bier wel op smaak brengen met bloeiende heitoppen. (5)

Als de leprechaun de jongen kwijt wil raken zegt hij dat er koeien door het akkerland lopen. Hij wil omkijken, maar bedenkt zich. Alleen als je de leprechaun met je ogen fixeert blijf je hem zien, anders is hij verdwenen! Dit is op zich vreemd want in andere verhalen zie je elfen alleen vanuit de ooghoeken en zijn ze juist nooit helder te krijgen. Het lijkt erop dat de jongen de leprechaun ziet met zijn innerlijk oog. Van dit oog heeft hij er maar één en daarmee ziet hij – waarschijnlijk zonder het zelf door te hebben – in de geestenwereld. Zodra hij met zijn aandacht naar het alledaagse wordt afgeleid, gaat hij weer met zijn gewone twee ogen kijken in onze wereld van dualiteit. Daar bestaat de elf niet en in veel kortere verhalen over de leprechaun is hij dan verdwenen en in lucht opgegaan! (6)

Het jacobskruiskruid

Dan brengt hij de jongen naar een veld met jakobskruiskruid (in het Engels ragwort of boliaun) een giftige – wellicht hallucinogene – plant en zegt dat onder één van deze een schat begraven ligt. Hij bindt een rood lint om de plant en vertrekt om een spade te halen. Als hij terugkomt hebben alle planten een rood lint om de steel en de schat blijft onvindbaar. Het lint verwijderen was veel logischer geweest, maar het gaat hier om de leprechaun meester van de paradox. Hij doet het onmogelijke en bindt om alle stelen een rood lint, daarmee zeggende: alle planten van het jacobskruiskruid kunnen leiden naar de elfenwereld en het innerlijk goud.

Het jacobskruiskruid wordt in andere Ierse verhalen genoemd als rijdier voor de elfen. Als zij een steel van de plant tussen de benen doen en dan roepen van ‘paard en breidel!’ verandert de steel in een paard waarmee zij in enkele tellen vele mijlen kunnen reizen door de lucht! (7) In de verhalen is er soms een sterveling die met ze meereist en ook kan vliegen met behulp van deze plant. Een ware elfenplant dus die hiermee vergelijkbaar is met de heksenzalf en mee kan helpen om uit je lichaam te treden om astraal te reizen op zoek naar de innerlijke schat.

De jongen begrijpt deze hint niet en gaat gedesillusioneerd en zonder schat naar huis terug..

‘Driemaal lacht de leprechaun’

Ook het verhaal van ‘driemaal lacht de leprechaun’ zit vol met paradoxen: Een boer vindt een leprechaun en houdt hem zeven jaar gevangen in een kist tot hij verteld heeft waar hij zijn schat verborgen heeft. In die periode lacht de leprechaun driemaal. (8) Eerst vindt de boer een schijnbaar waardeloos stuk wrakhout. Hij verkoopt het stuk hout voor bijna niets, maar er blijkt een goudschat in verborgen te zitten.. Wat op het eerste gezicht waardeloos is blijkt juist van grote waarde!

Dan komt er een bedelaar aan de deur die een maaltijd weigert en snel weer vertrekt. Vervolgens struikelt hij en breekt zijn been. De leprechaun lacht nu een tweede maal. In dit voorval wordt iemand letterlijk op het verkeerde been gezet omdat hij zijn geluk niet volgt. Wie tegen zijn eigen noodlot in gaat, zwemt tegen de stroom in en zal eerder struikelen.

De leprechaun lacht de derde keer als de boer zijn geld ‘veilig’ begraaft in zijn tuin en vervolgens berooft wordt door een dief die hem had bespied. De plaats waarvan de boer verwachtte dat die het veiligst zou zijn, blijkt juist het gevaarlijkst! Hij haalt de leprechaun uit de kist om te weten waarom hij voor de derde keer lachte. Deze vertelt het hem en verdwijnt. Als de boer beseft dat hij zijn gespaarde goud kwijt is verliest hij ook nog zijn verstand.

De leprechaun toont in dit verhaal zijn talent om dwars door de schijn heen te zien waar de (energetische) schat is. Dit maakt hem tot een wijze dwaas. Waar ieder het uiterlijke goud najaagt, weet hij wat tot werkelijk geluk en dus innerlijk goud leidt en volgt dit uiterst consequent. Dit volgen van je eigen geluk lijkt dwaasheid voor de oppervlakkige maar is het niet!

De schat onder de regenboog

Ook het verhaal van de leprechaun die een schat verbergt onder de regenboog is een spel van paradoxen. Op het moment dat er een regenboog is, regent het en schijnt de zon tegelijkertijd. De normale wereld is verdwenen en eventjes heerst de omgekeerde wereld. (9)

Verder is ‘gaan naar het einde van de regenboog’ zelf een paradox. Deze plek is net als de horizon, deze zal zich verplaatsen zodra jij je van plaats verandert. Zo kom je dus nooit aan op de plaats onder de regenboog. Toch in esoterisch opzicht is dit wel degelijk de plaats van de schat. De regenboog wordt gezien als de brug naar de andere wereld (10) en de zeven kleuren van de regenboog zijn ook die van de zeven chakra’s in je eigen energetische lichaam. Wie deze brug beklimt – en ook weer afdaalt – zal het hemelse goud vinden en ook zijn innerlijke schat.. De hoeder van deze schat is het wijze solitaire wezen onder de heg, de meester van de paradox, de leprechaun. (10)

1)    De huidige afbeeldingen van de leprechaun zijn diep triest, tik het maar eens in bij google afbeeldingen..

2)    Voor de teksten van beide verhalen: http://classiclit.about.com/library/bl-etexts/fairytale/bl-field.htm

http://books.google.nl/books?id=HdQ9AAAAIAAJ&pg=PA179&lpg=PA179&dq=three+laughs+leipreach%C3%A1n&source=bl&ots=cKXaI7SzRH&sig=BqUHJ5rzVhVarL6JW156_2LrY8A&hl=nl&sa=X&ei=UXghUIuRPI610QWUz4HABg&ved=0CDIQ6AEwAA#v=onepage&q=three%20laughs%20leipreach%C3%A1n&f=false  + om het verhaal compleet te krijgen: http://books.google.nl/books?id=tPi4vwaS30AC&pg=PA179&lpg=PA179&dq=three+laughs+leipreach%C3%A1n&source=bl&ots=REonNBHsYi&sig=ij9DNcz1KSTlnJFmlUjXSL-XtZQ&hl=nl&sa=X&ei=UXghUIuRPI610QWUz4HABg&ved=0CDcQ6AEwAQ#v=onepage&q=three%20laughs%20leipreach%C3%A1n&f=false

3)  Verder wordt geopperd dat leprechaun komt van Lugh Chromain de kromgebogen Lugh. De slinger van Lugh zou de regenboog zijn en hij zou zijn schatten van zonlicht hebben verborgen onderaan die regenboog. Lugh en zijn verwanten; de Tuatha de Dannan, waren ooit de Keltische goden en zijn verworden tot het elfenvolk. De licht- en zonnegod Lugh zelf is slechts nog een kleine kromme elf die een pot met goud bewaard. Dit alles is echter zeer speculatief..  

http://books.google.nl/books?id=nd9R6GQBB_0C&pg=PA286&lpg=PA286&dq=little+stooped+lugh&source=bl&ots=ZIT14W3vNL&sig=DsmiYdZbpOGLA0ut_3hBuIos0Xg&hl=nl&sa=X&ei=KXshUOXVBYa00QXv-oE4&ved=0CGsQ6AEwCA#v=onepage&q=little%20stooped%20lugh&f=false

4)    K. Briggs – A dictionary of fairies p. 264 en N. Arrowsmith – A field guide to the little people p.232

5)    http://zythophile.wordpress.com/2008/07/23/heather-ale-scots-or-irish/

In een Schots verhaal vraagt de koning der Schotten aan een Pictische gevangene om het geheim van bier gebrouwen van heidebloemen. Hij en zijn zoon zijn de enigen die het recept nog kennen en hij zegt: dood eerst mijn zoon dan zal ik het je zeggen. Maar lacht als de koning dat doet. ‘nu zal het geheim sterven met mij want ik zal het nimmer vertellen, maar mijn zoon had het gedaan om zijn leven te redden’. Zo wordt de koning – en met hem de lezer – op het verkeerde been gebracht.

6)    Het innerlijke oog in het midden van het voorhoofd op de plaats van het zesde chakra.

Je vind dit bv. terug in het verhaal op p. 371 van T. Keightley – The World guide to Gnomes, fairies, elves

7)    B. Froud en A. Lee – De elfen. Hierin vermelden zij dat John Aubrey dit al beschreef in de 17e eeuw.

8)    Dit doet sterk denken aan het verhaal uit de Vita Merlini waar Merlijn drie maal lacht om verborgenheden die alleen hij weet, waaronder de schijnbare paradox van een drievoudige dood. Een man zal van een rots vallen, aan een boom hangen en in een rivier verdrinken. Niemand gelooft de ziener echter de man valt van een rots, blijft hangen aan een tak van een boom, maar met zijn hoofd onder het water van de rivier.. http://www.timelessmyths.com/arthurian/merlin.html

Dit is ook een versie van de drievoudige dood van het hangoffer van Odin! Deze is tevens een schijndood en een betreden van de geestenwereld.

9)    Het spreekwoord zegt; als het regent en de zon schijnt is er kermis in de hel! Oftewel er is feest waar lijden hoort te zijn. Zoals in de Bifrostbrug van de Noormannen waarin de regenboog een brug is naar de Asgaard van de goden.

Oorspronkelijk waren dit waarschijnlijk twee aparte verhalen. De leprechaun heeft een pot met goud die hij ergens verbergt, vaak op oude heiligdommen, dus krachtplekken. En er is het volksgeloof dat er onder de regenboog een schat te vinden is. Deze twee verhalen zijn met elkaar vermengd.

10) Het boek ‘the truth about the leprechaun’ van Bob Curran is volledig gewijd aan de leprechaun. Deze heb ik ook  gebruikt, maar een groot nadeel van dit boek is dat hij de term leprechaun gebruikt voor diverse soorten andere elfenwezens waardoor er een grote verwarring ontstaat wat nu wel of niet een leprechaun is.  Ik vind zelf dat het woord leprechaun of een variant daarop  in het verhaal gebruikt moet worden om het wezen te kunnen identificeren als leprechaun. Juist in deze verhalen komt het paradoxale karakter van de leprechaun sterk naar voren!

De Groene Man en de Wildeman

Als vervolg op mijn voorgaande stuk over de Groene Man vertel ik nu meer over de optochten die in de meitijd op verschillende plaatsen in Europa werden gehouden, waarin een met bladeren bedekte man werd meegevoerd. Wat is de betekenis hiervan als je dit ziet als een inwijdings- en vruchtbaarheidsritueel? Vooral de connectie tussen de Groene Man en de Wildeman heeft mij nieuwe inzichten over de betekenis van de Groene Man gegeven.

Rituelen van de Groene Man

Ik begin bij de Engelse Jack-in-the-Green. Deze hoort bij het meifeest. De Jack is een man die verborgen zit in een piramide gemaakt van wilgentwijgen en bedekt met blad van hulst en klimop. Hij loopt mee in een optocht samen met de schoorsteenvegers en de meikoning en meikoningin of anders Robin Hood en Maid Marian. In Engeland blijft het bij een processie en geldinzameling zonder verdere rituele elementen. (1)

De Nederlandse klissenboer gaat al iets verder. (Vooral te vinden in West-Friesland en enkele andere Noord-Hollandse plaatsen) Dit ritueel werd uitgevoerd met ‘Luilak’ op de zaterdag voor Pinksteren. Wie dan het laatst uit bed kwam was de luilak of klissenboer, hij werd volgehangen met kleefkruid en/of klissen vervolgens in een wagentje gezet en zo door de stad gevoerd. Na de rondgang werd hij in het water gesmeten. (2)

(plaatje is de ‘Burry man’ een Schotse ‘Klissenboer’..)

Onder andere bij de zigeuners van Roemenië werd Groene Joris gevierd op paasmaandag of met Sint Joris (23 april). Groene Joris is een jongen die bedekt is met bladeren van de berk. Samen met een versierde meiboom wordt hij rondgeleid. De boom wordt opgezet en Joris in het water gegooid. Vaak kruipt de jongen er stiekem uit en wordt het omhulsel verdronken. Ook geeft de Groene Joris gras aan het vee opdat deze het volgend jaar genoeg voer zullen hebben. Verder slaat hij drie spijkers in de meiboom en gooit deze daarna in stromend water. (3)

In Duitsland in Swaben en Beieren is er de Pfingstl, ook wel de Pinksterlummel genoemd. Hij wordt met Pinksteren gekleed in bloemen en bladeren van els en hazel. Hij krijgt een hoge punthoed op met alleen gaten voor zijn ogen of anders een kunsthoofd. In een processie gaat deze figuur door het dorp begeleid door jongens met getrokken zwaarden. Eerst wordt de Pfingstl nat gespetterd, dan wordt hij de rivier in geduwd waar de jongens doen alsof zij zijn hoofd afhakken en hem offeren. Hierbij verliest hij zijn kunsthoofd of hoed. In Swaben wordt tegelijkertijd een meiboom uit het bos gehaald, de laatste die mee komt helpen wordt aangekleed als de Pfingstl. Dan lopen er ook nog een zwarte man en een wilde man mee. Deze laatste heet dokter Ijzerbaard. In één versie van het ritueel laat deze ‘dokter’ de Pfingstl herleven door hem ader te laten. (4)

Ten laatste wordt er in Saksen met Pinksteren een ceremonie gedaan genaamd ‘de Wildeman het bos uit jagen’. Hier wordt een jongeman in blad en mos gehuld. Deze is de zogenaamde Wildeman die uit het bos wordt gejaagd en vervolgens neergeschoten. Een ‘dokter’ doet een aderlating waarbij nepbloed op de grond stroomt en de jongen herleeft. (5)

Van het Jack-in-the-Green ritueel zijn er al bronnen uit de zestiende eeuw. De andere rituelen zijn pas in de negentiende eeuw opgeschreven. Hoe lang ze daarvoor al zijn opgevoerd en op welke manier weet niemand. Behalve van de Jack-in-the-green weet ik ook niet of de rituelen tegenwoordig nog worden uitgevoerd. De Klissenboer wordt in ieder geval niet meer door de Hollandse straten gevoerd..

Ijzerhans en de inwijding van het ‘groentje’

Zeker in de uitgebreidere rituelen staat de Groene Man een rituele dood te wachten waarna er een wedergeboorte plaatsvindt. De in Swaben ten tonele gevoerde Wildeman Ijzerbaard heeft een cruciale rol in het vinden van een betekenis in dit ritueel. Ijzerbaard lijkt namelijk sterk op Ijzerhans, de Wildeman in het gelijknamige sprookje van de gebroeders Grimm. Hierin wordt een jonge onervaren prins door een Wildeman het woud in genomen naar een heilige plaats met een zuivere bron. Hier wordt de jongen beproefd, hij doorstaat de test niet, maar weet toch later na vele avonturen geholpen door Ijzerhans zijn levensdoel te bereiken. Hij word een held en kan de prinses trouwen. Dit sprookje is te zien als het verhaal van een initiatie van een jongen tot een volwassen man. (6)

Bij afbeeldingen uit de 16e eeuw van het Schembartlaufen (een optocht met vastenavend) in Duitsland zien we een Wilde man met een groene gordel die een – mogelijk gemaskerde –  vastgebonden jongen aan zijn staf of boom heeft hangen. Hij is de schim of geest met de baard (Schembart). Je zou dit tafereel kunnen zien als een scene uit een inwijding van een jongen door middel van het hangen aan een boom Dit doet sterk denken aan de Germaanse hangritus. Deze afbeelding leid mij ertoe om de Wilde man met Odin te associëren en daardoor de Groene Man te vergelijken met een door Odin (of zijn representant) in te wijden jongeling. (7)

De nog onervaren knul krijgt het groene masker opgezet of wordt omhuld door groene bladeren en wordt daardoor liminaal gemaakt; hij wordt een wezen van de grens. Vanaf dat moment is hij een geest, een wezen niet van het woud, niet van het dorp, maar er tussen in op de grens. Zijn situatie wordt zo pijnlijk aanschouwelijk gemaakt. Zijn ik is nog niet in staat om zelf de energie, het groen, zijn innerlijke boom te beheersen. Hij is slechts onderdeel van de energiestroom. De jongen moet daarom dood om opnieuw geboren te worden in en plaats te maken voor de volwassen man.

De boom van de Wildeman

Hij is zolang de ritus duurt onder de hoede van de heer van het woud. Mogelijk heet deze geest Silvanus (als het om Zuid-Europa gaat) of Odin (Noord-Europa). Maar welke naam je hem ook geeft; hij is de inwijdende godheid die de grens tussen de wilde natuur en de gecultiveerde wereld beheerst. In de Middeleeuwen kennen we hem als de Wildeman. Hij heeft een knots in zijn hand als symbool van daadkracht en vuur of anders een uit de grond gerukte boom met wortels en al. Hij is woest, angstaanjagend, geil en weerzinwekkend verschrikkelijk. (Zoals Odin was in de heidense tijd.) De groene of bruine haren en de bladkrans om zijn middel en zijn hoofd geven hem kracht. Toch is hij geen slachtoffer van zijn driften, van zijn woeste oerenergie. Hij beheerst ze door middel van de boom of knots die hij in zijn hand heeft. Hij kan hiermee zijn eigen energie geleiden. Hij kan ermee doden, maar ook tot leven wekken. (8) Als inwijder gebruikt hij zijn boom om er de jongen aan op te hangen. (Zoals Odin dat al deed in de heidense hangritus waarna zijn aanhangers tot de Berserkers gingen behoren.) Dit zie je terug in de foto’s van het Schembartlaufen. Dit hangen is te vergelijken met de symbolische onthoofding van de Pfingstl.

In het ritueel van de Pfingstl treedt de Wildeman Ijzerbaard op als dokter voor de Groene Man. Eerst wordt de jongen gedood, dan door de Wildeman tot leven gewekt. Het is een nieuw leven, waarin hij geen groentje, geen knaap meer is, maar gaat behoren tot de volwassen mannenwereld. Tegelijk is dit ritueel meer dan een initiatie. Het brengt vruchtbaarheid voor de hele gemeenschap. Het bloed van de jongen moet vloeien en de grond bevruchten. Hij moet ondergedompeld worden in een symbolische verdrinking, om daarna ieder nat te sputteren om te delen in zijn vernieuwde numineuze krachten. Daarna kan hij opdrogen tot hij niet meer groen of nat is achter zijn oren. Zijn eigen boom is in het meiritueel al meegevoerd in de vorm van de meipaal. Nu kan hij zijn boom – net als Odin en de Wildeman – gebruiken als rijdier, hij weet zelf zijn energie, zijn groene kracht te kanaliseren. Hij is ontgroend! (9)

De betekenis van de Groene en de Wilde Man in kerk en kroeg

De Groene Man staart ons aan vastgemetseld aan zijn pilaren boom, met zijn gekwelde of juist serene blik. Hij is onderdeel van de wilde natuur, hij is onze connectie met die natuur. Dit is mooi als het om een boomgeest of vegetatiedemon gaat. Maar als het om een mens gaat is het een gekooide ziel achter zijn masker van bladeren. Hij is een onvolwassen ziel die beheerst wordt door zijn driften en zelf het heft nog niet in handen heeft.

Pas in zijn tweede stadium als het groen uit zijn mond (en eventueel ogen en oren) stroomt is er sprake van een transformatie. Het is het moment van het (bloed)offer. De Groene Man wordt gedood en kan wedergeboren worden. Zijn offer brengt een stroom van energie op gang. Deze overvloed wordt zichtbaar gemaakt door de vegetatie die uit al zijn openingen stroomt.

In zijn volgende stadium heeft hij haar op de borst en op de tanden gekregen.  Hij is een Wildeman geworden! Hij heeft zich losgerukt van zijn boom. De samen met de Groene Man uit het bos meegebrachte meipaal staat ten teken van overwinning op de (eigen) natuur in het midden van het dorp en kan desgewenst beklommen worden.

De Wildeman vind je nooit op pilaren bevestigt. Toch is hij ook te vinden in sommige kerken, maar dan in het koorscherm. Op de grens tussen profaan en heilig, zoals Silvanus al de grens tussen natuur en cultuur beschermde. Alleen de ingewijden mogen voorbij het koorhek naar de plek van het rituele maal.

Christenen zagen deze beeltenissen vanuit een ander perspectief. De Groene Man was een verdoemde ziel die ten onder ging aan zijn eigen wellust. De vruchtbare kracht van de Groene Man verwerd tot verdorven geilheid en wellust. De Wildeman werd in plaats van een heer van het woud een zielloze door god verlaten mens, of zelfs een demon. (10) De beelden bleven in de kerk maar hun betekenis onderging een treurige transformatie.

Binnen de kerk verwerden de Groene en de Wilde Man tot verdorven zielen of demonen. Daarbuiten bleven ze nog lange tijd hun functie – initiatie van de jonge man en vruchtbaarheid voor de gemeenschap- houden in de meirituelen.  Deze eindigden vaak in de kroeg of herberg! Dat was de plaats van samenkomst voor de bonden en gilden die de processies e.d. organiseerden. Dit is nog steeds te zien aan uithangborden van herbergen en café’s met de afbeelding van een Groene of een Wilde Man. (11)

De Wilde en de Groene Man in jezelf

Dit lijkt misschien een vreemde conclusie bij al het hedendaagse idealiseren van de natuur. Maar de wilde natuur is maar al te gevaarlijk en wie wou overleven moest de overgang naar volwassenheid maken en zijn natuur beheersen. Maar wie werkelijk beheerst die onderdrukt niet. Die laat in momenten van feest of juist strijd zijn wildheid, zijn wilde haren en daarmee zijn mannelijkheid zien. Hij toont dat hij op zijn tijd zijn wilde energie kan tonen, beheersen en desgewenst weer opbergen. Dat is het teken van een volwassen man die zijn boomknots weet te hanteren en daardoor wint hij in het feest zijn vrouw en overwint hij in het gevecht zijn tegenstander.

Ook de Groene Man is niet verdwenen door de transformatie. Hij leeft in iedere man die zo nu en dan zijn innerlijk kind vrijlaat en opgaat in zijn gevoel en zijn handeling en daarvan geniet zodat de groene harte-energie stroomt! Maar de Groene Man kan slechts overleven in zijn pure genietende vorm door eerst in het ritueel dood te gaan.

1)    Frazer – The golden bough p.129

Mannhardt – Wald und Feldkulte p. 311-325

2)    http://www.kloosterven.nl/special/looielak.php

Dit is te vergelijken met de ‘Queensferry Burry Man’ uit Schotland. Ook deze ‘klissenboer’ werd rond geparadeerd. Als je hem geld of drank gaf zou hij geluk brengen.. In Zwitserland werd een vergelijkbare ‘Pinksterluilak of Whitsun lout’ in het water gegooit, waarna hij vervolgens ieder nat mocht maken.

3)    Frazer p. 126

4)    Frazer p. 297

5)    Frazer p. 298

6)    http://www.beleven.org/verhaal/ijzeren_hans

Zie ‘De Wildeman een boek over mannen’ van Robert Bly voor een uitvoerige uitleg van dit sprookje als een  initiatie van de jongen tot volwassen man.

7)    Farwerck – Noordeuropese mysterieën p. 304, 156 en 198

Odin wijdde zichzelf in door negen dagen te hangen aan de wereldboom, op de laatste dag werd hij doorstoken door een speer en reikte hij naar de runen in de bron van wijsheid. Odin is ook Grimnir de gemaskerde. Wie hem wou volgen moest ook een drievoudige dood doorstaan, hij moest hangen, doorstoken worden en verdrinken in de bron. Langs lucht, vuur en water en terug naar het leven. De vierde dood via aarde zou de fysieke dood betekenen.

8)    Zie bv. de ontmoeting van Owain met de heer van het woud in de Mabinogion..

9)    De wereldboom Ygdrassil is vrij vertaald het ‘paard van Odin’. Odin berijdt de boom alsof het een paard is om zo als een sjamaan in de geest naar de verschillende werelden te reizen.

Nog steeds zegt men van een jongen die een knappe man is geworden dat hij goed is opgedroogd..

Zie ook Bob Curran – Walking with the green man p.37

10)  De christelijke herinterpretatie van dit beeld werd door Hrabanus Maurus in de 8e Eeuw duidelijk gemaakt: Hij vergeleek groene takken (niet de groene man zelf zoals veel internetbronnen beweren..) met de zonden van het vlees en met geile gemene mannen die zeker verdoemt zouden worden.

Centerwell (1997), 27–28 the name of the green man

11)                      Farwerck – Mysterieën 198

Bekijk ook: The company of the green man http://freespace.virgin.net/polter.geist/greenman.htm

 

« Older entries